uitvouwen
werkwoord ˈœytfɑuwə(n)Betekenis
- openvouwen
Hoe spreek je uitvouwen uit?
/ˈœytfɑuwən/
Uitvouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitvouwen
uitvouwenhele werkwoord — vouwde uitverleden tijd enkelvoud — vouwden uitverleden tijd meervoud — uitgevouwenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vouw uit | vouwde uit |
| jij | vouwt uit | vouwde uit |
| hij, zij, het | vouwt uit | vouwde uit |
| wij | vouwen uit | vouwden uit |
| jullie | vouwen uit | vouwden uit |
| zij | vouwen uit | vouwden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgevouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgevouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgevouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgevouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgevouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgevouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgevouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgevouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgevouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen vouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult vouwen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevouwen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgevouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgevouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgevouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgevouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvouwde | bijzin, verleden tijd |
| uitvouwden | bijzin, verleden tijd |
| uitvouwend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vouw uit | gebiedende wijs |
| vouwde uit | verleden tijd |
| waart uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgevouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgevouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgevouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvouwen uit zou(dt) vouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgevouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgevouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en vouwen
Woordfamilie van uitvouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevouwen | voltooid deelwoord | uitvouwen |
| uitvouw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvouwen |
| uitvouwde | subordinate-clause, verleden tijd | uitvouwen |
| uitvouwden | subordinate-clause, verleden tijd | uitvouwen |
| uitvouwe | with-subordinate-clause | uitvouwen |
| uitvouwend | onvoltooid deelwoord | uitvouwen |
| uitvouwende | woordvorm | uitvouwen |
| uitvouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvouwen |
| vouw uit | gebiedende wijs | uitvouwen |
| vouwde uit | verleden tijd | uitvouwen |
| vouwden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvouwen |
| vouwe uit | woordvorm | uitvouwen |
| vouwen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvouwen |
| vouwt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitvouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvouwen zijn vastgelegd.