uitvliegen
werkwoordBetekenis
- naar buiten (uit nest of hok) vliegen
- vertrekken
Vervoeging van uitvliegen
uitvliegenhele werkwoord — vloog uitverleden tijd enkelvoud — vlogen uitverleden tijd meervoud — uitgevlogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlieg uit | vloog uit |
| jij | vliegt uit | vloog uit |
| hij, zij, het | vliegt uit | vloog uit |
| wij | vliegen uit | vlogen uit |
| jullie | vliegen uit | vlogen uit |
| zij | vliegen uit | vlogen uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen vliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult vliegen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevlogen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevlogen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevlogen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvlieg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvliegend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvliegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvlogen | bijzin, verleden tijd |
| uitvloog | bijzin, verleden tijd |
| vlieg uit | gebiedende wijs |
| vloog uit | verleden tijd |
| waart uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgevlogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgevlogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgevlogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvliegen uit zou(dt) vliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevlogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvliegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvliegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevlogen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitvliegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitvliegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitvliegen uit zult/zal vliegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en vliegen
Woordfamilie van uitvliegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevlogen | voltooid deelwoord | uitvliegen |
| uitvlieg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvliegen |
| uitvliege | with-subordinate-clause | uitvliegen |
| uitvliegend | onvoltooid deelwoord | uitvliegen |
| uitvliegende | woordvorm | uitvliegen |
| uitvliegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvliegen |
| uitvlogen | subordinate-clause, verleden tijd | uitvliegen |
| uitvloog | subordinate-clause, verleden tijd | uitvliegen |
| vlieg uit | gebiedende wijs | uitvliegen |
| vliege uit | woordvorm | uitvliegen |
| vliegen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvliegen |
| vliegt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitvliegen |
| vlogen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvliegen |
| vloog uit | verleden tijd | uitvliegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvliegen zijn vastgelegd.