Naar de inhoud

uitvliegen

naar buiten (uit nest of hok) vliegen

uitvliegen

werkwoord

Betekenis

  1. naar buiten (uit nest of hok) vliegen
  2. vertrekken

Vervoeging van uitvliegen

uitvliegenhele werkwoord — vloog uitverleden tijd enkelvoud — vlogen uitverleden tijd meervoud — uitgevlogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vlieg uit vloog uit
jij vliegt uit vloog uit
hij, zij, het vliegt uit vloog uit
wij vliegen uit vlogen uit
jullie vliegen uit vlogen uit
zij vliegen uit vlogen uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te vliegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal vliegen bijzin, toekomende tijd
uit zou vliegen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden vliegen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt vliegen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen vliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen vliegen bijzin, toekomende tijd
uit zult vliegen bijzin, toekomende tijd
uitgevlogen verleden tijd, deelwoord
uitgevlogen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevlogen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvlieg bijzin, tegenwoordige tijd
uitvliegend onvoltooid, deelwoord
uitvliegt bijzin, tegenwoordige tijd
uitvlogen bijzin, verleden tijd
uitvloog bijzin, verleden tijd
vlieg uit gebiedende wijs
vloog uit verleden tijd
waart uitgevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgevlogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgevlogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgevlogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitvliegen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgevlogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgevlogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitvliegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitvliegen uit zou(dt) vliegen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitvliegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgevlogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitvliegen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvliegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitvliegen bijzin, toekomende tijd
zult uitgevlogen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitvliegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitvliegen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitvliegen uit zult/zal vliegen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en vliegen

Woordfamilie van uitvliegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgevlogen voltooid deelwoord uitvliegen
uitvlieg subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvliegen
uitvliege with-subordinate-clause uitvliegen
uitvliegend onvoltooid deelwoord uitvliegen
uitvliegende woordvorm uitvliegen
uitvliegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvliegen
uitvlogen subordinate-clause, verleden tijd uitvliegen
uitvloog subordinate-clause, verleden tijd uitvliegen
vlieg uit gebiedende wijs uitvliegen
vliege uit woordvorm uitvliegen
vliegen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitvliegen
vliegt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitvliegen
vlogen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitvliegen
vloog uit verleden tijd uitvliegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvliegen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitvliegen

Wat is de betekenis van uitvliegen?
Uitvliegen is een werkwoord. De betekenis is: naar buiten (uit nest of hok) vliegen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitvliegen?
Zo vervoeg je uitvliegen zo: het voltooid deelwoord is uitgevlogen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitvliegen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. L 3
  6. I 1
  7. E 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitvliegen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. V 4
  5. L 3
  6. I 2
  7. E 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitvliegen in het kort

uitvliegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitvliegen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitvliegen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitvliegen: naar buiten (uit nest of hok) vliegen
Deel uitvliegen — standaardnederlands.nl