Naar de inhoud

uitvergroten

vergroot afbeelden

uitvergroten

werkwoord

Betekenis

  1. vergroot afbeelden

Vervoeging van uitvergroten

uitvergrotenhele werkwoord — vergrootte uitverleden tijd enkelvoud — vergrootten uitverleden tijd meervoud — uitvergrootvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vergroot uit vergrootte uit
jij vergroot uit vergrootte uit
hij, zij, het vergroot uit vergrootte uit
wij vergroten uit vergrootten uit
jullie vergroten uit vergrootten uit
zij vergroten uit vergrootten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitvergroot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitvergroot impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitvergroot impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitvergroot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitvergroot worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitvergroot zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitvergroot worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitvergroot zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitvergroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitvergroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitvergroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitvergroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitvergroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitvergroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitvergroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitvergroot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitvergroot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitvergroten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te vergroten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen vergroten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal vergroten bijzin, toekomende tijd
uit zou vergroten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden vergroten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt vergroten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen vergroten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen vergroten bijzin, toekomende tijd
uit zult vergroten bijzin, toekomende tijd
uitvergroot verleden tijd, deelwoord
uitvergroot bijzin, tegenwoordige tijd
uitvergroot te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitvergroot te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitvergroot te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitvergroot te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitvergroot te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitvergroot worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitvergroot zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitvergroot zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvergroot zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvergroot zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvergrootte bijzin, verleden tijd
uitvergrootten bijzin, verleden tijd
uitvergrotend onvoltooid, deelwoord
vergroot uit gebiedende wijs
vergrootte uit verleden tijd
waart uitvergroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitvergroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitvergroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitvergroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitvergroot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitvergroot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitvergroot voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitvergroot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitvergroot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitvergroot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitvergroten bijzin, toekomende tijd
zijn uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitvergroot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitvergroten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitvergroten uit zou(dt) vergroten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitvergroten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitvergroot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvergroot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitvergroten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvergroot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitvergroot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitvergroot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvergroten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvergroten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitvergroten bijzin, toekomende tijd
zult uitvergroot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitvergroot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en vergroten

Woordfamilie van uitvergroten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitvergroot voltooid deelwoord uitvergroten
uitvergrootte subordinate-clause, verleden tijd uitvergroten
uitvergrootten subordinate-clause, verleden tijd uitvergroten
uitvergrote with-subordinate-clause uitvergroten
uitvergrotend onvoltooid deelwoord uitvergroten
uitvergrotende woordvorm uitvergroten
vergroot uit gebiedende wijs uitvergroten
vergrootte uit verleden tijd uitvergroten
vergrootten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitvergroten
vergrote uit woordvorm uitvergroten
vergroten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitvergroten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvergroten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitvergroten

Wat betekent uitvergroten?
Uitvergroten is een werkwoord. Het woord betekent: vergroot afbeelden.
Hoe vervoeg je uitvergroten?
Je vervoegt uitvergroten als volgt: het voltooid deelwoord is uitvergroot. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitvergroten is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. G 3
  8. R 2
  9. O 1
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitvergroten levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. V 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. G 3
  8. R 2
  9. O 1
  10. T 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitvergroten in het kort

uitvergroten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitvergroten zijn 85 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitvergroten bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitvergroten: vergroot afbeelden
Deel uitvergroten — standaardnederlands.nl