Naar de inhoud

uitvallen

niet langer functioneren

uitvallen is meer dan één woord

uitvallen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytfɑlə(n)

Betekenis

  1. niet langer functioneren
  2. verliezen van haar, naalden, bloembaden enz
  3. niet doorgaan van iets dat vooraf gepland stond
  4. in naar iemand ~: zich heftig en driftig naar iemand uiten, gedragen
  5. uiteindelijk worden

Hoe spreek je uitvallen uit?

/ˈœytfɑlən/

Uitvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytfɑlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
f fiets
ɑ bad
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. verliezen van haar, naalden, bloembladen enz ergative

Vervoeging van uitvallen

uitvallenhele werkwoord — viel uitverleden tijd enkelvoud — vielen uitverleden tijd meervoud — uitgevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val uit viel uit
jij valt uit viel uit
hij, zij, het valt uit viel uit
wij vallen uit vielen uit
jullie vallen uit vielen uit
zij vallen uit vielen uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal vallen bijzin, toekomende tijd
uit zou vallen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen vallen bijzin, toekomende tijd
uit zult vallen bijzin, toekomende tijd
uitgevallen verleden tijd, deelwoord
uitgevallen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevallen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitval bijzin, tegenwoordige tijd
uitvallend onvoltooid, deelwoord
uitvalt bijzin, tegenwoordige tijd
uitviel bijzin, verleden tijd
uitvielen bijzin, verleden tijd
val uit gebiedende wijs
viel uit verleden tijd
zal uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitvallen bijzin, toekomende tijd
zou uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitvallen uit zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgevallen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitvallen bijzin, toekomende tijd
zult uitgevallen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitvallen uit zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitval

Herkomst

samenstelling van uit bw en vallen ww

Woordfamilie van uitvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgevallen voltooid deelwoord uitvallen
uitvalle with-subordinate-clause uitvallen
uitvallend onvoltooid deelwoord uitvallen
uitvallende woordvorm uitvallen
uitvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvallen
uitviel subordinate-clause, verleden tijd uitvallen
uitvielen subordinate-clause, verleden tijd uitvallen
val uit gebiedende wijs uitvallen
valle uit woordvorm uitvallen
vallen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitvallen
valt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitvallen
viel uit verleden tijd uitvallen
vielen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitvallen

Hoe spreek je uitvallen uit?
De uitspraak van uitvallen is: /ˈœytfɑlə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitvallen?
Uitvallen is een werkwoord. Het woord betekent: niet langer functioneren. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitvallen?
Je vervoegt uitvallen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgevallen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitvallen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitvallen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitvallen in het kort

uitvallen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitvallen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitvallen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitvallen: niet langer functioneren
Deel uitvallen — standaardnederlands.nl