uitvallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytfɑlə(n)Betekenis
- niet langer functioneren
- verliezen van haar, naalden, bloembaden enz
- niet doorgaan van iets dat vooraf gepland stond
- in naar iemand ~: zich heftig en driftig naar iemand uiten, gedragen
- uiteindelijk worden
Hoe spreek je uitvallen uit?
/ˈœytfɑlən/
Uitvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- verliezen van haar, naalden, bloembladen enz ergative
Vervoeging van uitvallen
uitvallenhele werkwoord — viel uitverleden tijd enkelvoud — vielen uitverleden tijd meervoud — uitgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val uit | viel uit |
| jij | valt uit | viel uit |
| hij, zij, het | valt uit | viel uit |
| wij | vallen uit | vielen uit |
| jullie | vallen uit | vielen uit |
| zij | vallen uit | vielen uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevallen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevallen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvallend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitviel | bijzin, verleden tijd |
| uitvielen | bijzin, verleden tijd |
| val uit | gebiedende wijs |
| viel uit | verleden tijd |
| zal uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvallen uit zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevallen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevallen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitvallen uit zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitval
Herkomst
samenstelling van uit bw en vallen ww
Woordfamilie van uitvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevallen | voltooid deelwoord | uitvallen |
| uitvalle | with-subordinate-clause | uitvallen |
| uitvallend | onvoltooid deelwoord | uitvallen |
| uitvallende | woordvorm | uitvallen |
| uitvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvallen |
| uitviel | subordinate-clause, verleden tijd | uitvallen |
| uitvielen | subordinate-clause, verleden tijd | uitvallen |
| val uit | gebiedende wijs | uitvallen |
| valle uit | woordvorm | uitvallen |
| vallen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvallen |
| valt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitvallen |
| viel uit | verleden tijd | uitvallen |
| vielen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvallen zijn vastgelegd.