uitval
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈœytfɑlBetekenis
- plotselinge actie vanuit een fort of belegerde stad
- plotselingen uitbarsting van woede
- ophouden te functioneren, niet tot wasdom komen
Hoe spreek je uitval uit?
/ˈœytfɑl/
Uitval bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- tijdens het productieproces gemaakte producten die niet aan de interne kwaliteitseisen voldoen en weggegooid worden
- op een boerderij de sterfte van dieren door ziektes, verzwakking of uitdroging
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitvallen | meervoud |
| uitvalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitvalletjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitvallen
Vervoeging van uitval
uitvalhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van uit en val , (stam van het werkwoord vallen)
Woordfamilie van uitval
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitvalletje | verkleinwoord | uitval |
| uitvalletjes | verkleinwoord meervoud | uitval |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitval zijn vastgelegd.