uitstulpen
werkwoordBetekenis
- op een zekere plaats op een oppervlak buiten dat oppervlak doen komen, zonder dat het oppervlak beschadigd of verbroken wordt
Vervoeging van uitstulpen
uitstulpenhele werkwoord — stulpte uitverleden tijd enkelvoud — stulpten uitverleden tijd meervoud — uitgestulptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stulp uit | stulpte uit |
| jij | stulpt uit | stulpte uit |
| hij, zij, het | stulpt uit | stulpte uit |
| wij | stulpen uit | stulpten uit |
| jullie | stulpen uit | stulpten uit |
| zij | stulpen uit | stulpten uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stulp uit | gebiedende wijs |
| stulpte uit | verleden tijd |
| te zijn uitgestulpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitstulpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te stulpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen stulpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal stulpen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou stulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden stulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt stulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen stulpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen stulpen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult stulpen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgestulpt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgestulpt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestulpt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitstulp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstulpend | onvoltooid, deelwoord |
| uitstulpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstulpte | bijzin, verleden tijd |
| uitstulpten | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgestulpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitstulpen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgestulpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgestulpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitstulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitstulpen uit zou(dt) stulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitstulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgestulpt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitstulpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitstulpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitstulpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgestulpt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitstulpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitstulpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitstulpen uit zult/zal stulpen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en stulpen
Woordfamilie van uitstulpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stulp uit | gebiedende wijs | uitstulpen |
| stulpe uit | woordvorm | uitstulpen |
| stulpen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitstulpen |
| stulpt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitstulpen |
| stulpte uit | verleden tijd | uitstulpen |
| stulpten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitstulpen |
| uitgestulpt | voltooid deelwoord | uitstulpen |
| uitstulp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstulpen |
| uitstulpe | with-subordinate-clause | uitstulpen |
| uitstulpend | onvoltooid deelwoord | uitstulpen |
| uitstulpende | woordvorm | uitstulpen |
| uitstulpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstulpen |
| uitstulpte | subordinate-clause, verleden tijd | uitstulpen |
| uitstulpten | subordinate-clause, verleden tijd | uitstulpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstulpen zijn vastgelegd.