uitstroom
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- geheel van entiteiten die iets verlaten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitstromen | meervoud |
| uitstroompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitstroompjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitstromen
Vervoeging van uitstroom
uitstroomhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van uit en stroom
Woordfamilie van uitstroom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitstroompje | verkleinwoord | uitstroom |
| uitstroompjes | verkleinwoord meervoud | uitstroom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstroom zijn vastgelegd.