uitstrooien
werkwoord ˈœytstrojə(n)Betekenis
- strooiend verspreiden
Hoe spreek je uitstrooien uit?
/ˈœytstrojən/
Uitstrooien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| r | rood |
| o | boot |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitstrooien
uitstrooienhele werkwoord — strooide uitverleden tijd enkelvoud — strooiden uitverleden tijd meervoud — uitgestrooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | strooi uit | strooide uit |
| jij | strooit uit | strooide uit |
| hij, zij, het | strooit uit | strooide uit |
| wij | strooien uit | strooiden uit |
| jullie | strooien uit | strooiden uit |
| zij | strooien uit | strooiden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgestrooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgestrooid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgestrooid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgestrooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgestrooid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgestrooid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgestrooid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgestrooid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgestrooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| strooi uit | gebiedende wijs |
| strooide uit | verleden tijd |
| te hebben uitgestrooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitstrooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te strooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen strooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal strooien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou strooien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden strooien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt strooien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen strooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen strooien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult strooien | bijzin, toekomende tijd |
| uitgestrooid | verleden tijd, deelwoord |
| uitgestrooid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgestrooid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgestrooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestrooid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestrooid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestrooid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgestrooid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgestrooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgestrooid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgestrooid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitstrooi | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstrooide | bijzin, verleden tijd |
| uitstrooiden | bijzin, verleden tijd |
| uitstrooiend | onvoltooid, deelwoord |
| uitstrooit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgestrooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgestrooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgestrooid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestrooid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitstrooien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgestrooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitstrooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitstrooien uit zou(dt) strooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitstrooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgestrooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgestrooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitstrooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgestrooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgestrooid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestrooid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestrooid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitstrooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitstrooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitstrooien | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgestrooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en strooien ww
Woordfamilie van uitstrooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strooi uit | gebiedende wijs | uitstrooien |
| strooide uit | verleden tijd | uitstrooien |
| strooiden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitstrooien |
| strooie uit | woordvorm | uitstrooien |
| strooien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitstrooien |
| strooit uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitstrooien |
| uitgestrooid | voltooid deelwoord | uitstrooien |
| uitgestrooide | woordvorm | uitstrooien |
| uitstrooi | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstrooien |
| uitstrooide | subordinate-clause, verleden tijd | uitstrooien |
| uitstrooiden | subordinate-clause, verleden tijd | uitstrooien |
| uitstrooie | with-subordinate-clause | uitstrooien |
| uitstrooiend | onvoltooid deelwoord | uitstrooien |
| uitstrooiende | woordvorm | uitstrooien |
| uitstrooit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstrooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstrooien zijn vastgelegd.