Naar de inhoud

uitspringen

naar buiten, vooruitsteken.

uitspringen

werkwoord ˈœytsprɪŋə(n)

Betekenis

  1. naar buiten, vooruitsteken.
  2. met een sprong naar buiten gaan

Hoe spreek je uitspringen uit?

/ˈœytsprɪŋən/

Uitspringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytsprɪŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
p pak
r rood
ɪ pit
ŋ ding
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitspringen

uitspringenhele werkwoord — sprong uitverleden tijd enkelvoud — sprongen uitverleden tijd meervoud — uitgesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring uit sprong uit
jij springt uit sprong uit
hij, zij, het springt uit sprong uit
wij springen uit sprongen uit
jullie springen uit sprongen uit
zij springen uit sprongen uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spring uit gebiedende wijs
sprong uit verleden tijd
te hebben uitgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal springen bijzin, toekomende tijd
uit zou springen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden springen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen springen bijzin, toekomende tijd
uit zult springen bijzin, toekomende tijd
uitgesprongen verleden tijd, deelwoord
uitgesprongen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesprongen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspring bijzin, tegenwoordige tijd
uitspringend onvoltooid, deelwoord
uitspringt bijzin, tegenwoordige tijd
uitsprong bijzin, verleden tijd
uitsprongen bijzin, verleden tijd
uitsprongt bijzin, verleden tijd
zal uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitspringen bijzin, toekomende tijd
zou uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitspringen uit zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitspringen bijzin, toekomende tijd
zult uitgesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitspringen uit zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en springen

Woordfamilie van uitspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spring uit gebiedende wijs uitspringen
springe uit woordvorm uitspringen
springen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitspringen
springt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitspringen
sprong uit verleden tijd uitspringen
sprongen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitspringen
uitgesprongen voltooid deelwoord uitspringen
uitspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspringen
uitspringe with-subordinate-clause uitspringen
uitspringend onvoltooid deelwoord uitspringen
uitspringende woordvorm uitspringen
uitspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspringen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitspringen

Hoe spreek je uitspringen uit?
De uitspraak van uitspringen is: /ˈœytsprɪŋə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitspringen?
Uitspringen is een werkwoord. Het woord betekent: naar buiten, vooruitsteken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitspringen?
Je vervoegt uitspringen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgesprongen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitspringen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. R 2
  7. I 1
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitspringen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. R 2
  7. I 2
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitspringen in het kort

uitspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitspringen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitspringen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitspringen: naar buiten, vooruitsteken.
Deel uitspringen — standaardnederlands.nl