uitspreken
werkwoordBetekenis
- het (geschreven) woord in klank omzetten
- zich ~: een beslissing mededelen
- het geven van een mening
Vervoeging van uitspreken
uitsprekenhele werkwoord — sprak uitverleden tijd enkelvoud — spraken uitverleden tijd meervoud — uitgesprokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spreek uit | sprak uit |
| jij | spreekt uit | spraakt uit |
| hij, zij, het | spreekt uit | sprak uit |
| wij | spreken uit | spraken uit |
| jullie | spreken uit | spraken uit |
| zij | spreken uit | spraken uit |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgesproken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgesproken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgesproken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgesproken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgesproken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgesproken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprak uit | verleden tijd |
| spraken uit | verleden tijd |
| spreek u/je uit, spreekt je uit | gebiedende wijs |
| spreek uit | gebiedende wijs |
| te hebben uitgesproken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitspreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te spreken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal spreken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen spreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen spreken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult spreken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgesproken | verleden tijd, deelwoord |
| uitgesproken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgesproken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgesproken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgesproken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgesproken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgesproken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgesproken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgesproken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgesproken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgesproken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitspraakt | bijzin, verleden tijd |
| uitsprak | bijzin, verleden tijd |
| uitspraken | bijzin, verleden tijd |
| uitspreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitspreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgesproken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgesproken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgesproken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgesproken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me uitspreken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal uitgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgesproken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitspreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich uitspreken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je uitspreken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich uitgesproken hebben | verleden tijd |
| zich uitsprekend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgesproken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitspreken uit zou(dt) spreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgesproken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgesproken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitspreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitspreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je uitspreken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons uitspreken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen uitgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgesproken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgesproken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en spreken ww
Woordfamilie van uitspreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spraakt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitspreken |
| sprak uit | verleden tijd | uitspreken |
| spraken uit | verleden tijd | uitspreken |
| spreek uit | gebiedende wijs | uitspreken |
| spreekt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitspreken |
| spreke uit | woordvorm | uitspreken |
| spreken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitspreken |
| uitgesproken | voltooid deelwoord | uitspreken |
| uitsprak | subordinate-clause, verleden tijd | uitspreken |
| uitspreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspreken |
| uitspreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspreken |
| uitspreke | with-subordinate-clause | uitspreken |
| uitsprekend | onvoltooid deelwoord | uitspreken |
| uitsprekende | woordvorm | uitspreken |
| uitgesprokens | woordvorm | uitgesproken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspreken zijn vastgelegd.