Naar de inhoud

uitspreken

het (geschreven) woord in klank omzetten

uitspreken

werkwoord

Betekenis

  1. het (geschreven) woord in klank omzetten
  2. zich ~: een beslissing mededelen
  3. het geven van een mening

Vervoeging van uitspreken

uitsprekenhele werkwoord — sprak uitverleden tijd enkelvoud — spraken uitverleden tijd meervoud — uitgesprokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spreek uit sprak uit
jij spreekt uit spraakt uit
hij, zij, het spreekt uit sprak uit
wij spreken uit spraken uit
jullie spreken uit spraken uit
zij spreken uit spraken uit
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgesproken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgesproken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgesproken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgesproken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgesproken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgesproken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sprak uit verleden tijd
spraken uit verleden tijd
spreek u/je uit, spreekt je uit gebiedende wijs
spreek uit gebiedende wijs
te hebben uitgesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te spreken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal spreken bijzin, toekomende tijd
uit zou spreken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden spreken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt spreken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen spreken bijzin, toekomende tijd
uit zult spreken bijzin, toekomende tijd
uitgesproken verleden tijd, deelwoord
uitgesproken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesproken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgesproken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesproken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesproken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgesproken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesproken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgesproken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesproken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgesproken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspraakt bijzin, verleden tijd
uitsprak bijzin, verleden tijd
uitspraken bijzin, verleden tijd
uitspreek bijzin, tegenwoordige tijd
uitspreekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitsprekend onvoltooid, deelwoord
waart uitgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me uitspreken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitspreken bijzin, toekomende tijd
zal zich uitspreken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitspreken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitgesproken hebben verleden tijd
zich uitsprekend onvoltooid, deelwoord
zijn uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitspreken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitspreken uit zou(dt) spreken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitspreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitspreken bijzin, voorwaardelijk
zullen je uitspreken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitspreken eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en spreken ww

Woordfamilie van uitspreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spraakt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon uitspreken
sprak uit verleden tijd uitspreken
spraken uit verleden tijd uitspreken
spreek uit gebiedende wijs uitspreken
spreekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitspreken
spreke uit woordvorm uitspreken
spreken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitspreken
uitgesproken voltooid deelwoord uitspreken
uitsprak subordinate-clause, verleden tijd uitspreken
uitspreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspreken
uitspreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspreken
uitspreke with-subordinate-clause uitspreken
uitsprekend onvoltooid deelwoord uitspreken
uitsprekende woordvorm uitspreken
uitgesprokens woordvorm uitgesproken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitspreken

Wat is de betekenis van uitspreken?
Uitspreken is een werkwoord. De betekenis is: het (geschreven) woord in klank omzetten. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitspreken?
Zo vervoeg je uitspreken zo: het voltooid deelwoord is uitgesproken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitspreken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. R 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitspreken levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. R 2
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitspreken in het kort

uitspreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitspreken staan er 101 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitspreken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitspreken: het (geschreven) woord in klank omzetten
Deel uitspreken — standaardnederlands.nl