Naar de inhoud

uitspoken

iets wat niet in de haak is uithalen

uitspoken

werkwoord

Betekenis

  1. iets wat niet in de haak is uithalen

Vervoeging van uitspoken

uitspokenhele werkwoord — spookte uitverleden tijd enkelvoud — spookten uitverleden tijd meervoud — uitgespooktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spook uit spookte uit
jij spookt uit spookte uit
hij, zij, het spookt uit spookte uit
wij spoken uit spookten uit
jullie spoken uit spookten uit
zij spoken uit spookten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgespookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgespookt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgespookt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgespookt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgespookt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgespookt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgespookt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgespookt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgespookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgespookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgespookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgespookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgespookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgespookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgespookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spook uit gebiedende wijs
spookte uit verleden tijd
te hebben uitgespookt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitspoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te spoken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen spoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal spoken bijzin, toekomende tijd
uit zou spoken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden spoken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt spoken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen spoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen spoken bijzin, toekomende tijd
uit zult spoken bijzin, toekomende tijd
uitgespookt verleden tijd, deelwoord
uitgespookt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgespookt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgespookt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespookt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespookt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespookt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgespookt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgespookt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgespookt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgespookt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspokend onvoltooid, deelwoord
uitspook bijzin, tegenwoordige tijd
uitspookt bijzin, tegenwoordige tijd
uitspookte bijzin, verleden tijd
uitspookten bijzin, verleden tijd
waart uitgespookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgespookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgespookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgespookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgespookt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgespookt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgespookt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgespookt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgespookt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespookt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitspoken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgespookt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitspoken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitspoken uit zou(dt) spoken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitspoken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgespookt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgespookt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitspoken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgespookt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgespookt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespookt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespookt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitspoken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitspoken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitspoken bijzin, toekomende tijd
zult uitgespookt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en spoken ww

Woordfamilie van uitspoken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spoke uit woordvorm uitspoken
spoken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitspoken
spook uit gebiedende wijs uitspoken
spookt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitspoken
spookte uit verleden tijd uitspoken
spookten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitspoken
uitgespookt voltooid deelwoord uitspoken
uitgespookte woordvorm uitspoken
uitspoke with-subordinate-clause uitspoken
uitspokend onvoltooid deelwoord uitspoken
uitspokende woordvorm uitspoken
uitspook subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspoken
uitspookt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspoken
uitspookte subordinate-clause, verleden tijd uitspoken
uitspookten subordinate-clause, verleden tijd uitspoken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspoken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitspoken

Wat is de betekenis van uitspoken?
Uitspoken is een werkwoord. De betekenis is: iets wat niet in de haak is uithalen.
Hoe vervoeg ik uitspoken?
Zo vervoeg je uitspoken zo: het voltooid deelwoord is uitgespookt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitspoken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. O 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitspoken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. O 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitspoken in het kort

uitspoken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitspoken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitspoken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitspoken: iets wat niet in de haak is uithalen
Deel uitspoken — standaardnederlands.nl