Naar de inhoud

uitspatten

losbandig zijn, zichzelf te buiten gaan, boemelen, brassen, slempen

uitspatten

werkwoord

Betekenis

  1. losbandig zijn, zichzelf te buiten gaan, boemelen, brassen, slempen

Vervoeging van uitspatten

uitspattenhele werkwoord — spatte uitverleden tijd enkelvoud — spatten uitverleden tijd meervoud — uitgespatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spat uit spatte uit
jij spat uit spatte uit
hij, zij, het spat uit spatte uit
wij spatten uit spatten uit
jullie spatten uit spatten uit
zij spatten uit spatten uit
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgespat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgespat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgespat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgespat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgespat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgespat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgespat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spat uit gebiedende wijs
spatte uit verleden tijd
te hebben uitgespat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitspatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te spatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen spatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal spatten bijzin, toekomende tijd
uit zou spatten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden spatten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt spatten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen spatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen spatten bijzin, toekomende tijd
uit zult spatten bijzin, toekomende tijd
uitgespat verleden tijd, deelwoord
uitgespat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspat bijzin, tegenwoordige tijd
uitspatte bijzin, verleden tijd
uitspattend onvoltooid, deelwoord
zal uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitspatten bijzin, toekomende tijd
zou uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitspatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitspatten uit zou(dt) spatten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitspatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitspatten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitspatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitspatten bijzin, toekomende tijd
zult uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitspatten bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitspatten uit zult/zal spatten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitspatten

Vervoeging van uitspatten

uitspattenhele werkwoord — spatte uitverleden tijd enkelvoud — spatten uitverleden tijd meervoud — uitgespatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spat uit spatte uit
jij spat uit spatte uit
hij, zij, het spat uit spatte uit
wij spatten uit spatten uit
jullie spatten uit spatten uit
zij spatten uit spatten uit
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgespat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgespat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgespat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgespat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgespat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgespat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgespat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spat uit gebiedende wijs
spatte uit verleden tijd
te hebben uitgespat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitspatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te spatten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen spatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal spatten bijzin, toekomende tijd
uit zou spatten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden spatten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt spatten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen spatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen spatten bijzin, toekomende tijd
uit zult spatten bijzin, toekomende tijd
uitgespat verleden tijd, deelwoord
uitgespat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspat bijzin, tegenwoordige tijd
uitspatte bijzin, verleden tijd
uitspattend onvoltooid, deelwoord
zal uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitspatten bijzin, toekomende tijd
zou uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitspatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitspatten uit zou(dt) spatten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitspatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgespat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitspatten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitspatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitspatten bijzin, toekomende tijd
zult uitgespat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitspatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitspatten bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitspatten uit zult/zal spatten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en spatten

Woordfamilie van uitspatten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spat uit gebiedende wijs uitspatten
spatte uit verleden tijd uitspatten
spatten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitspatten
uitgespat voltooid deelwoord uitspatten
uitspat subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitspatten
uitspatte subordinate-clause, verleden tijd uitspatten
uitspattend onvoltooid deelwoord uitspatten
uitspattende woordvorm uitspatten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspatten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitspatten

Wat is de betekenis van uitspatten?
Uitspatten is een werkwoord. De betekenis is: losbandig zijn, zichzelf te buiten gaan, boemelen, brassen, slempen.
Hoe vervoeg ik uitspatten?
Zo vervoeg je uitspatten zo: het voltooid deelwoord is uitgespat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitspatten is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. A 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitspatten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. A 1
  7. T 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitspatten in het kort

uitspatten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitspatten staan er 41 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitspatten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitspatten: losbandig zijn, zichzelf te buiten gaan, boemelen, brassen, slempen
Deel uitspatten — standaardnederlands.nl