Naar de inhoud

uitsparen

besparen

uitsparen

werkwoord

Betekenis

  1. besparen
  2. openlaten

Vervoeging van uitsparen

uitsparenhele werkwoord — spaarde uitverleden tijd enkelvoud — spaarden uitverleden tijd meervoud — uitgespaardvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spaar uit spaarde uit
jij spaart uit spaarde uit
hij, zij, het spaart uit spaarde uit
wij sparen uit spaarden uit
jullie sparen uit spaarden uit
zij sparen uit spaarden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgespaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgespaard impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgespaard impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgespaard impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgespaard worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgespaard zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgespaard worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgespaard zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
spaar uit gebiedende wijs
spaarde uit verleden tijd
te hebben uitgespaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitsparen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te sparen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen sparen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal sparen bijzin, toekomende tijd
uit zou sparen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden sparen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt sparen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen sparen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen sparen bijzin, toekomende tijd
uit zult sparen bijzin, toekomende tijd
uitgespaard verleden tijd, deelwoord
uitgespaard te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgespaard te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgespaard te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespaard te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespaard te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgespaard worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgespaard zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgespaard zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgespaard zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgespaard zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitspaar bijzin, tegenwoordige tijd
uitspaarde bijzin, verleden tijd
uitspaarden bijzin, verleden tijd
uitspaart bijzin, tegenwoordige tijd
uitsparend onvoltooid, deelwoord
waart uitgespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgespaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgespaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgespaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgespaard enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgespaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgespaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitsparen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgespaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitsparen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitsparen uit zou(dt) sparen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitsparen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgespaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgespaard zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitsparen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgespaard worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgespaard zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgespaard zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgespaard zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitsparen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitsparen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitsparen bijzin, toekomende tijd
zult uitgespaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en sparen

Woordfamilie van uitsparen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
spaar uit gebiedende wijs uitsparen
spaarde uit verleden tijd uitsparen
spaarden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitsparen
spaart uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitsparen
spare uit woordvorm uitsparen
sparen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitsparen
uitgespaard voltooid deelwoord uitsparen
uitgespaarde woordvorm uitsparen
uitspaar subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsparen
uitspaarde subordinate-clause, verleden tijd uitsparen
uitspaarden subordinate-clause, verleden tijd uitsparen
uitspaart subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitsparen
uitspare with-subordinate-clause uitsparen
uitsparend onvoltooid deelwoord uitsparen
uitsparende woordvorm uitsparen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsparen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitsparen

Wat betekent uitsparen?
Uitsparen is een werkwoord. Het woord betekent: besparen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitsparen?
Je vervoegt uitsparen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgespaard. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitsparen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 3
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitsparen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. P 4
  6. A 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitsparen in het kort

uitsparen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitsparen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitsparen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitsparen: besparen
Deel uitsparen — standaardnederlands.nl