Naar de inhoud

uitserveren

bedienen, meestal met betrekking tot eten en drinken.

uitserveren

werkwoord

Betekenis

  1. bedienen, meestal met betrekking tot eten en drinken.
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van uitserveren

uitserverenhele werkwoord — serveerde uitverleden tijd enkelvoud — serveerden uitverleden tijd meervoud — uitgeserveerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik serveer uit serveerde uit
jij serveert uit serveerde uit
hij, zij, het serveert uit serveerde uit
wij serveren uit serveerden uit
jullie serveren uit serveerden uit
zij serveren uit serveerden uit
Alle 206 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeserveerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeserveerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeserveerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeserveerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeserveerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeserveerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeserveerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeserveerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
had uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt uitgeserveerd gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeserveerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeserveerd gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
serveer uit gebiedende wijs
serveerde uit verleden tijd
te hebben uitgeserveerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitserveren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te serveren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen serveren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal serveren bijzin, toekomende tijd
uit zou serveren bijzin, voorwaardelijk
uit zouden serveren bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt serveren bijzin, voorwaardelijk
uit zullen serveren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen serveren bijzin, toekomende tijd
uit zult serveren bijzin, toekomende tijd
uitgeserveerd verleden tijd, deelwoord
uitgeserveerd gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeserveerd gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeserveerd gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeserveerd gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeserveerd krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeserveerd te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeserveerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeserveerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeserveerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeserveerd te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeserveerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeserveerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeserveerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeserveerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeserveerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeserveerd zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeserveerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeserveerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitserveer bijzin, tegenwoordige tijd
uitserveerde bijzin, verleden tijd
uitserveerden bijzin, verleden tijd
uitserveert bijzin, tegenwoordige tijd
uitserverend onvoltooid, deelwoord
waart uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeserveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeserveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeserveerd gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeserveerd gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeserveerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeserveerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeserveerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeserveerd krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeserveerd krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeserveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeserveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeserveerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeserveerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitserveren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitserveren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitserveren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitserveren bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeserveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeserveerd gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeserveerd gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeserveerd gekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeserveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeserveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeserveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeserveerd krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeserveerd krijgen enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en serveren ww

Woordfamilie van uitserveren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
serveer uit gebiedende wijs uitserveren
serveerde uit verleden tijd uitserveren
serveerden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitserveren
serveert uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitserveren
servere uit woordvorm uitserveren
serveren uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitserveren
uitgeserveerd voltooid deelwoord uitserveren
uitgeserveerde woordvorm uitserveren
uitserveer subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitserveren
uitserveerde subordinate-clause, verleden tijd uitserveren
uitserveerden subordinate-clause, verleden tijd uitserveren
uitserveert subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitserveren
uitservere with-subordinate-clause uitserveren
uitserverend onvoltooid deelwoord uitserveren
uitserverende woordvorm uitserveren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitserveren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitserveren

Wat betekent uitserveren?
Uitserveren is een werkwoord. Het woord betekent: bedienen, meestal met betrekking tot eten en drinken. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitserveren?
Je vervoegt uitserveren als volgt: het voltooid deelwoord is uitgeserveerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitserveren is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. V 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitserveren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. V 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitserveren in het kort

uitserveren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitserveren zijn 121 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitserveren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitserveren: bedienen, meestal met betrekking tot eten en drinken.
Deel uitserveren — standaardnederlands.nl