uitschelden
werkwoord ˈœytsxɛldə(n)Betekenis
- iemand met scheldwoorden bewerken
Hoe spreek je uitschelden uit?
/ˈœytsxɛldən/
Uitschelden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitschelden
uitscheldenhele werkwoord — schold uitverleden tijd enkelvoud — scholden uitverleden tijd meervoud — uitgescholdenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheld uit | schold uit |
| jij | scheldt uit | schold uit |
| hij, zij, het | scheldt uit | schold uit |
| wij | schelden uit | scholden uit |
| jullie | schelden uit | scholden uit |
| zij | schelden uit | scholden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgescholden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgescholden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgescholden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgescholden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgescholden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgescholden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheld uit | gebiedende wijs |
| schold uit | verleden tijd |
| te hebben uitgescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitschelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te schelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal schelden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen schelden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult schelden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgescholden | verleden tijd, deelwoord |
| uitgescholden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgescholden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgescholden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgescholden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgescholden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgescholden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgescholden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgescholden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgescholden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgescholden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitscheld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitscheldend | onvoltooid, deelwoord |
| uitscheldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitschold | bijzin, verleden tijd |
| uitscholden | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitschelden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitschelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitschelden uit zou(dt) schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitschelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgescholden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitschelden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitschelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitschelden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en schelden ww
Woordfamilie van uitschelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheld uit | gebiedende wijs | uitschelden |
| schelde uit | woordvorm | uitschelden |
| schelden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitschelden |
| scheldt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitschelden |
| schold uit | verleden tijd | uitschelden |
| scholden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitschelden |
| uitgescholden | voltooid deelwoord | uitschelden |
| uitscheld | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschelden |
| uitschelde | with-subordinate-clause | uitschelden |
| uitscheldend | onvoltooid deelwoord | uitschelden |
| uitscheldende | woordvorm | uitschelden |
| uitscheldt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschelden |
| uitschold | subordinate-clause, verleden tijd | uitschelden |
| uitscholden | subordinate-clause, verleden tijd | uitschelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitschelden zijn vastgelegd.