schelden
werkwoord /sxɛldə(n)/Betekenis
- krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
Hoe spreek je schelden uit?
/sxɛldən/
Schelden bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛ | bed |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van schelden
scheldenhele werkwoord — scholdverleden tijd enkelvoud — scholdenverleden tijd meervoud — gescholdenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheld | schold |
| jij | scheldt | schold |
| hij, zij, het | scheldt | schold |
| wij | schelden | scholden |
| jullie | schelden | scholden |
| zij | schelden | scholden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gescholden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gescholden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gescholden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gescholden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gescholden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gescholden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescholden | verleden tijd, deelwoord |
| gescholden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescholden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheld | gebiedende wijs |
| schelde | aanvoegende wijs |
| scheldend | onvoltooid, deelwoord |
| schold | verleden tijd |
| te hebben gescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van schellen
Vervoeging van schelden
scheldenhele werkwoord — scholdverleden tijd enkelvoud — scholdenverleden tijd meervoud — gescholdenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheld | schold |
| jij | scheldt | schold |
| hij, zij, het | scheldt | schold |
| wij | schelden | scholden |
| jullie | schelden | scholden |
| zij | schelden | scholden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gescholden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gescholden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gescholden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gescholden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gescholden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gescholden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescholden | verleden tijd, deelwoord |
| gescholden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescholden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheld | gebiedende wijs |
| schelde | aanvoegende wijs |
| scheldend | onvoltooid, deelwoord |
| schold | verleden tijd |
| te hebben gescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schelden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schelden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘tieren’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van schelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescholden | voltooid deelwoord | schelden |
| scheld | gebiedende wijs | schelden |
| scheldt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schelden |
| schold | verleden tijd | schelden |
| scholden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schelden zijn vastgelegd.