Naar de inhoud

uitreden

de laatste bewerking aan iets doen

uitreden

werkwoord

Betekenis

  1. de laatste bewerking aan iets doen

Vervoeging van uitreden

uitredenhele werkwoord — reedde uitverleden tijd enkelvoud — reedden uitverleden tijd meervoud — uitgereedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reed uit reedde uit
jij reedt uit reedde uit
hij, zij, het reedt uit reedde uit
wij reden uit reedden uit
jullie reden uit reedden uit
zij reden uit reedden uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgereed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgereed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgereed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgereed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgereed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgereed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgereed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgereed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed uit gebiedende wijs
reedde uit verleden tijd
te hebben uitgereed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te reden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen reden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal reden bijzin, toekomende tijd
uit zou reden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden reden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt reden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen reden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen reden bijzin, toekomende tijd
uit zult reden bijzin, toekomende tijd
uitgereed verleden tijd, deelwoord
uitgereed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgereed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitredend onvoltooid, deelwoord
uitreed bijzin, tegenwoordige tijd
uitreedde bijzin, verleden tijd
uitreedden bijzin, verleden tijd
uitreedt bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitreden bijzin, toekomende tijd
zou uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitreden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitreden uit zou(dt) reden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitreden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitreden bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitreden bijzin, toekomende tijd
zult uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitreden bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitreden uit zult/zal reden bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitrijden

Vervoeging van uitreden

uitredenhele werkwoord — reedde uitverleden tijd enkelvoud — reedden uitverleden tijd meervoud — uitgereedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reed uit reedde uit
jij reedt uit reedde uit
hij, zij, het reedt uit reedde uit
wij reden uit reedden uit
jullie reden uit reedden uit
zij reden uit reedden uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgereed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgereed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgereed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgereed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgereed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgereed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgereed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgereed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgereed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed uit gebiedende wijs
reedde uit verleden tijd
te hebben uitgereed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te reden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen reden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal reden bijzin, toekomende tijd
uit zou reden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden reden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt reden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen reden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen reden bijzin, toekomende tijd
uit zult reden bijzin, toekomende tijd
uitgereed verleden tijd, deelwoord
uitgereed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgereed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitredend onvoltooid, deelwoord
uitreed bijzin, tegenwoordige tijd
uitreedde bijzin, verleden tijd
uitreedden bijzin, verleden tijd
uitreedt bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitreden bijzin, toekomende tijd
zou uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitreden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitreden uit zou(dt) reden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitreden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgereed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitreden bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitreden bijzin, toekomende tijd
zult uitgereed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitreden bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitreden uit zult/zal reden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en reden

Woordfamilie van uitreden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
rede uit woordvorm uitreden
reedde uit verleden tijd uitreden
reedden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitreden
reedt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitreden
uitgereed voltooid deelwoord uitreden
uitrede with-subordinate-clause uitreden
uitredend onvoltooid deelwoord uitreden
uitredende woordvorm uitreden
uitreedde subordinate-clause, verleden tijd uitreden
uitreedden subordinate-clause, verleden tijd uitreden
uitreedt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitreden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitreden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitreden

Wat betekent uitreden?
Uitreden is een werkwoord. Het woord betekent: de laatste bewerking aan iets doen.
Hoe vervoeg je uitreden?
Je vervoegt uitreden als volgt: het voltooid deelwoord is uitgereed. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitreden is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitreden levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitreden in het kort

uitreden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitreden zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitreden bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitreden: de laatste bewerking aan iets doen
Deel uitreden — standaardnederlands.nl