Naar de inhoud

uitpakken

uit een verpakking halen

uitpakken

werkwoord ˈœytpɑkə(n)

Betekenis

  1. uit een verpakking halen
  2. leeg maken van een verpakking
  3. een bepaalde uitkomst krijgen

Hoe spreek je uitpakken uit?

/ˈœytpɑkən/

Uitpakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytpɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
p pak
ɑ bad
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitpakken

uitpakkenhele werkwoord — pakte uitverleden tijd enkelvoud — pakten uitverleden tijd meervoud — uitgepaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pak uit pakte uit
jij pakt uit pakte uit
hij, zij, het pakt uit pakte uit
wij pakken uit pakten uit
jullie pakken uit pakten uit
zij pakken uit pakten uit
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgepakt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was uitgepakt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd uitgepakt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt uitgepakt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgepakt worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgepakt zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou uitgepakt worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou uitgepakt zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben uitgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pak uit gebiedende wijs
pakte uit verleden tijd
te hebben/zijn uitgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitpakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te pakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal pakken bijzin, toekomende tijd
uit zou pakken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden pakken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt pakken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen pakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen pakken bijzin, toekomende tijd
uit zult pakken bijzin, toekomende tijd
uitgepakt verleden tijd, deelwoord
uitgepakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgepakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgepakt te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgepakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgepakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgepakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgepakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgepakt zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgepakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgepakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitpak bijzin, tegenwoordige tijd
uitpakkend onvoltooid, deelwoord
uitpakt bijzin, tegenwoordige tijd
uitpakte bijzin, verleden tijd
uitpakten bijzin, verleden tijd
waart uitgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgepakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgepakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgepakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgepakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitpakken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgepakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgepakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitpakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitpakken uit zou(dt) pakken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitpakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgepakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitpakken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitpakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitpakken bijzin, toekomende tijd
zult uitgepakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgepakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitpakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitpakken bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitpakken uit zult/zal pakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en pakken ww

Woordfamilie van uitpakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
pak uit gebiedende wijs uitpakken
pakke uit woordvorm uitpakken
pakken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitpakken
pakt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitpakken
pakte uit verleden tijd uitpakken
pakten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitpakken
uitgepakt voltooid deelwoord uitpakken
uitgepakte woordvorm uitpakken
uitpak subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitpakken
uitpakke with-subordinate-clause uitpakken
uitpakkend onvoltooid deelwoord uitpakken
uitpakkende woordvorm uitpakken
uitpakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitpakken
uitpakte subordinate-clause, verleden tijd uitpakken
uitpakten subordinate-clause, verleden tijd uitpakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitpakken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitpakken

Hoe spreek je uitpakken uit?
De uitspraak van uitpakken is: /ˈœytpɑkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitpakken?
Uitpakken is een werkwoord. Het woord betekent: uit een verpakking halen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitpakken?
Je vervoegt uitpakken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgepakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitpakken is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. P 3
  5. A 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitpakken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. P 4
  5. A 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitpakken in het kort

uitpakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitpakken zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitpakken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitpakken: uit een verpakking halen
Deel uitpakken — standaardnederlands.nl