uitmonden
werkwoordBetekenis
- Het eindigen van een rivier bij de monding van die rivier.
- Het uiteindelijk ergens toe leiden van een handeling of gebeurtenis.
Vervoeging van uitmonden
uitmondenhele werkwoord — mondde uitverleden tijd enkelvoud — mondden uitverleden tijd meervoud — uitgemondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mond uit | mondde uit |
| jij | mondt uit | mondde uit |
| hij, zij, het | mondt uit | mondde uit |
| wij | monden uit | mondden uit |
| jullie | monden uit | mondden uit |
| zij | monden uit | mondden uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mond uit | gebiedende wijs |
| mondde uit | verleden tijd |
| te zijn uitgemond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitmonden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te monden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen monden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal monden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou monden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden monden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt monden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen monden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen monden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult monden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgemond | verleden tijd, deelwoord |
| uitgemond te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgemond zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitmond | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitmondde | bijzin, verleden tijd |
| uitmondden | bijzin, verleden tijd |
| uitmondend | onvoltooid, deelwoord |
| uitmondt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgemond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgemond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgemond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgemond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgemond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgemond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgemond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitmonden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgemond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgemond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitmonden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitmonden uit zou(dt) monden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitmonden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgemond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitmonden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitmonden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitmonden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgemond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitmonden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitmonden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitmonden uit zult/zal monden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit ww en monden
Woordfamilie van uitmonden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mond uit | gebiedende wijs | uitmonden |
| mondde uit | verleden tijd | uitmonden |
| mondden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitmonden |
| monde uit | woordvorm | uitmonden |
| monden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitmonden |
| mondt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitmonden |
| uitgemond | voltooid deelwoord | uitmonden |
| uitmond | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitmonden |
| uitmondde | subordinate-clause, verleden tijd | uitmonden |
| uitmondden | subordinate-clause, verleden tijd | uitmonden |
| uitmonde | with-subordinate-clause | uitmonden |
| uitmondend | onvoltooid deelwoord | uitmonden |
| uitmondende | woordvorm | uitmonden |
| uitmondt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitmonden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitmonden zijn vastgelegd.