Naar de inhoud

uitkramen

luidkeels verkondigen

uitkramen

werkwoord

Betekenis

  1. luidkeels verkondigen

Vervoeging van uitkramen

uitkramenhele werkwoord — kraamde uitverleden tijd enkelvoud — kraamden uitverleden tijd meervoud — uitgekraamdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kraam uit kraamde uit
jij kraamt uit kraamde uit
hij, zij, het kraamt uit kraamde uit
wij kramen uit kraamden uit
jullie kramen uit kraamden uit
zij kramen uit kraamden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgekraamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgekraamd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgekraamd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgekraamd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgekraamd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgekraamd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgekraamd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgekraamd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgekraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgekraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgekraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgekraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgekraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgekraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgekraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekraamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kraam uit gebiedende wijs
kraamde uit verleden tijd
te hebben uitgekraamd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitkramen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te kramen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen kramen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal kramen bijzin, toekomende tijd
uit zou kramen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden kramen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt kramen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen kramen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen kramen bijzin, toekomende tijd
uit zult kramen bijzin, toekomende tijd
uitgekraamd verleden tijd, deelwoord
uitgekraamd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekraamd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgekraamd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekraamd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekraamd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekraamd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekraamd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgekraamd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekraamd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgekraamd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitkraam bijzin, tegenwoordige tijd
uitkraamde bijzin, verleden tijd
uitkraamden bijzin, verleden tijd
uitkraamt bijzin, tegenwoordige tijd
uitkramend onvoltooid, deelwoord
waart uitgekraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgekraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgekraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgekraamd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgekraamd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgekraamd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgekraamd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgekraamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekraamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitkramen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgekraamd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitkramen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitkramen uit zou(dt) kramen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitkramen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgekraamd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgekraamd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitkramen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgekraamd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgekraamd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgekraamd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgekraamd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitkramen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitkramen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitkramen bijzin, toekomende tijd
zult uitgekraamd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit en kramen

Woordfamilie van uitkramen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kraam uit gebiedende wijs uitkramen
kraamde uit verleden tijd uitkramen
kraamden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitkramen
kraamt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitkramen
krame uit woordvorm uitkramen
kramen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitkramen
uitgekraamd voltooid deelwoord uitkramen
uitgekraamde woordvorm uitkramen
uitkraam subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkramen
uitkraamde subordinate-clause, verleden tijd uitkramen
uitkraamden subordinate-clause, verleden tijd uitkramen
uitkraamt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkramen
uitkrame with-subordinate-clause uitkramen
uitkramend onvoltooid deelwoord uitkramen
uitkramende woordvorm uitkramen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkramen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitkramen

Wat is de betekenis van uitkramen?
Uitkramen is een werkwoord. De betekenis is: luidkeels verkondigen.
Hoe vervoeg ik uitkramen?
Zo vervoeg je uitkramen zo: het voltooid deelwoord is uitgekraamd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitkramen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. K 3
  5. R 2
  6. A 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitkramen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. K 3
  5. R 2
  6. A 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitkramen in het kort

uitkramen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitkramen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitkramen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitkramen: luidkeels verkondigen
Deel uitkramen — standaardnederlands.nl