uitkramen
werkwoordBetekenis
- luidkeels verkondigen
Vervoeging van uitkramen
uitkramenhele werkwoord — kraamde uitverleden tijd enkelvoud — kraamden uitverleden tijd meervoud — uitgekraamdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kraam uit | kraamde uit |
| jij | kraamt uit | kraamde uit |
| hij, zij, het | kraamt uit | kraamde uit |
| wij | kramen uit | kraamden uit |
| jullie | kramen uit | kraamden uit |
| zij | kramen uit | kraamden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgekraamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgekraamd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgekraamd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgekraamd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgekraamd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgekraamd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgekraamd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgekraamd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekraamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kraam uit | gebiedende wijs |
| kraamde uit | verleden tijd |
| te hebben uitgekraamd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitkramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te kramen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen kramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal kramen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou kramen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden kramen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt kramen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen kramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen kramen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult kramen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgekraamd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgekraamd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgekraamd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgekraamd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekraamd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekraamd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekraamd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgekraamd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgekraamd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgekraamd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgekraamd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitkraam | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitkraamde | bijzin, verleden tijd |
| uitkraamden | bijzin, verleden tijd |
| uitkraamt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitkramend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgekraamd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgekraamd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgekraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitkramen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgekraamd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitkramen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitkramen uit zou(dt) kramen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitkramen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgekraamd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgekraamd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitkramen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgekraamd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgekraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgekraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgekraamd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitkramen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitkramen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitkramen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgekraamd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en kramen
Woordfamilie van uitkramen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kraam uit | gebiedende wijs | uitkramen |
| kraamde uit | verleden tijd | uitkramen |
| kraamden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitkramen |
| kraamt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitkramen |
| krame uit | woordvorm | uitkramen |
| kramen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitkramen |
| uitgekraamd | voltooid deelwoord | uitkramen |
| uitgekraamde | woordvorm | uitkramen |
| uitkraam | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkramen |
| uitkraamde | subordinate-clause, verleden tijd | uitkramen |
| uitkraamden | subordinate-clause, verleden tijd | uitkramen |
| uitkraamt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkramen |
| uitkrame | with-subordinate-clause | uitkramen |
| uitkramend | onvoltooid deelwoord | uitkramen |
| uitkramende | woordvorm | uitkramen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkramen zijn vastgelegd.