uitgraven
werkwoordBetekenis
- iets door graven uit de grond halen
- door graven grond geheel verwijderen tot de gewenste ruimte ontstaat
Vervoeging van uitgraven
uitgravenhele werkwoord — groef uitverleden tijd enkelvoud — groeven uitverleden tijd meervoud — uitgegravenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | graaf uit | groef uit |
| jij | graaft uit | groef uit |
| hij, zij, het | graaft uit | groef uit |
| wij | graven uit | groeven uit |
| jullie | graven uit | groeven uit |
| zij | graven uit | groeven uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgegraven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgegraven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgegraven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgegraven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgegraven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgegraven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgegraven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgegraven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| graaf uit | gebiedende wijs |
| groef uit | verleden tijd |
| had uitgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgegraven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te graven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen graven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal graven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou graven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden graven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt graven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen graven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen graven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult graven | bijzin, toekomende tijd |
| uitgegraven | verleden tijd, deelwoord |
| uitgegraven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgegraven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgegraven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegraven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegraven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegraven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgegraven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgegraven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgegraven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgegraven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgraaf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgraaft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgravend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgroef | bijzin, verleden tijd |
| uitgroeven | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgegraven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgegraven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgegraven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgegraven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitgraven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgegraven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitgraven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitgraven uit zou(dt) graven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitgraven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgegraven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgegraven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitgraven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgegraven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegraven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgraven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgraven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitgraven | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgegraven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en graven ww
Woordfamilie van uitgraven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| graaf uit | gebiedende wijs | uitgraven |
| graaft uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitgraven |
| grave uit | woordvorm | uitgraven |
| graven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitgraven |
| groef uit | verleden tijd | uitgraven |
| groeven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitgraven |
| uitgegraven | voltooid deelwoord | uitgraven |
| uitgraaf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgraven |
| uitgraaft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgraven |
| uitgrave | with-subordinate-clause | uitgraven |
| uitgravend | onvoltooid deelwoord | uitgraven |
| uitgravende | woordvorm | uitgraven |
| uitgroef | subordinate-clause, verleden tijd | uitgraven |
| uitgroeven | subordinate-clause, verleden tijd | uitgraven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgraven zijn vastgelegd.