Naar de inhoud

uitgroeien

geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets

uitgroeien

werkwoord ˈœytxrujə(n)

Betekenis

  1. geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets
  2. ophouden met in de groei zijn
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Hoe spreek je uitgroeien uit?

/ˈœytxrujən/

Uitgroeien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytxrujən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
x acht
r rood
u boek
j ja
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitgroeien

uitgroeienhele werkwoord — groeide uitverleden tijd enkelvoud — groeiden uitverleden tijd meervoud — uitgegroeidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik groei uit groeide uit
jij groeit uit groeide uit
hij, zij, het groeit uit groeide uit
wij groeien uit groeiden uit
jullie groeien uit groeiden uit
zij groeien uit groeiden uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
groei uit gebiedende wijs
groeide uit verleden tijd
had uitgegroeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgegroeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgegroeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgegroeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgegroeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgegroeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgegroeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegroeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegroeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgegroeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitgroeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te groeien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen groeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal groeien bijzin, toekomende tijd
uit zou groeien bijzin, voorwaardelijk
uit zouden groeien bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt groeien bijzin, voorwaardelijk
uit zullen groeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen groeien bijzin, toekomende tijd
uit zult groeien bijzin, toekomende tijd
uitgegroeid verleden tijd, deelwoord
uitgegroeid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegroeid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgroei bijzin, tegenwoordige tijd
uitgroeide bijzin, verleden tijd
uitgroeiden bijzin, verleden tijd
uitgroeiend onvoltooid, deelwoord
uitgroeit bijzin, tegenwoordige tijd
zal uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitgroeien bijzin, toekomende tijd
zou uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitgroeien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitgroeien uit zou(dt) groeien bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitgroeien bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgegroeid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitgroeien bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgroeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitgroeien bijzin, toekomende tijd
zult uitgegroeid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgroeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitgroeien bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitgroeien uit zult/zal groeien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en groeien ww

Woordfamilie van uitgroeien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
groei uit gebiedende wijs uitgroeien
groeide uit verleden tijd uitgroeien
groeiden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitgroeien
groeie uit woordvorm uitgroeien
groeien uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitgroeien
groeit uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitgroeien
uitgegroeid voltooid deelwoord uitgroeien
uitgroeide subordinate-clause, verleden tijd uitgroeien
uitgroeiden subordinate-clause, verleden tijd uitgroeien
uitgroeie with-subordinate-clause uitgroeien
uitgroeiend onvoltooid deelwoord uitgroeien
uitgroeiende woordvorm uitgroeien
uitgroeit subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgroeien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgroeien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitgroeien

Hoe spreek je uitgroeien uit?
De uitspraak van uitgroeien is: /ˈœytxrujə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent uitgroeien?
Uitgroeien is een werkwoord. Het woord betekent: geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitgroeien?
Je vervoegt uitgroeien als volgt: het voltooid deelwoord is uitgegroeid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitgroeien is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. R 2
  6. O 1
  7. E 1
  8. I 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitgroeien levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. G 3
  5. R 2
  6. O 1
  7. E 1
  8. I 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitgroeien in het kort

uitgroeien staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitgroeien zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitgroeien bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitgroeien: geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets
Deel uitgroeien — standaardnederlands.nl