Naar de inhoud

uitfluiten

door luid fluiten misnoegen jegens iemand uiten

uitfluiten

werkwoord

Betekenis

  1. door luid fluiten misnoegen jegens iemand uiten

Vervoeging van uitfluiten

uitfluitenhele werkwoord — floot uitverleden tijd enkelvoud — floten uitverleden tijd meervoud — uitgeflotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fluit uit floot uit
jij fluit uit floot uit
hij, zij, het fluit uit floot uit
wij fluiten uit floten uit
jullie fluiten uit floten uit
zij fluiten uit floten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgefloten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgefloten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgefloten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgefloten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgefloten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgefloten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgefloten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgefloten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
floot uit verleden tijd
fluit uit gebiedende wijs
had uitgefloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgefloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgefloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgefloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgefloten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgefloten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitfluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te fluiten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen fluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal fluiten bijzin, toekomende tijd
uit zou fluiten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden fluiten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt fluiten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen fluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen fluiten bijzin, toekomende tijd
uit zult fluiten bijzin, toekomende tijd
uitfloot bijzin, verleden tijd
uitfloten bijzin, verleden tijd
uitfluit bijzin, tegenwoordige tijd
uitfluitend onvoltooid, deelwoord
uitgefloten verleden tijd, deelwoord
uitgefloten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgefloten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgefloten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgefloten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgefloten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgefloten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgefloten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgefloten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgefloten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgefloten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgefloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgefloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgefloten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgefloten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgefloten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgefloten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitfluiten bijzin, toekomende tijd
zal uitgefloten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgefloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgefloten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgefloten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgefloten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgefloten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitfluiten bijzin, voorwaardelijk
zou uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitfluiten uit zou(dt) fluiten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitfluiten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitfluiten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgefloten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgefloten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitfluiten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitfluiten bijzin, toekomende tijd
zullen uitgefloten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgefloten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgefloten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgefloten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgefloten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgefloten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgefloten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitfluiten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitfluiten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en fluiten ww

Woordfamilie van uitfluiten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
floot uit verleden tijd uitfluiten
floten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitfluiten
fluit uit gebiedende wijs uitfluiten
fluite uit woordvorm uitfluiten
fluiten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitfluiten
uitfloot subordinate-clause, verleden tijd uitfluiten
uitfloten subordinate-clause, verleden tijd uitfluiten
uitfluit subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitfluiten
uitfluite with-subordinate-clause uitfluiten
uitfluitend onvoltooid deelwoord uitfluiten
uitfluitende woordvorm uitfluiten
uitgefloten voltooid deelwoord uitfluiten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitfluiten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitfluiten

Wat is de betekenis van uitfluiten?
Uitfluiten is een werkwoord. De betekenis is: door luid fluiten misnoegen jegens iemand uiten.
Hoe vervoeg ik uitfluiten?
Zo vervoeg je uitfluiten zo: het voltooid deelwoord is uitgefloten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitfluiten is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. F 4
  5. L 3
  6. U 4
  7. I 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitfluiten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. F 4
  5. L 3
  6. U 2
  7. I 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitfluiten in het kort

uitfluiten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitfluiten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitfluiten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitfluiten: door luid fluiten misnoegen jegens iemand uiten
Deel uitfluiten — standaardnederlands.nl