uiteenslaan
werkwoord œyˈtenslanBetekenis
- (door slaan) met kracht uiteendrijven
Hoe spreek je uiteenslaan uit?
/œyˈtenslan/
Uiteenslaan bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| e | veel |
| n | nek |
| s | sok |
| l | land |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- met kracht uiteendrijven transitive
Vervoeging van uiteenslaan
uiteenslaanhele werkwoord — sloeg uiteenverleden tijd enkelvoud — sloegen uiteenverleden tijd meervoud — uiteengeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla uiteen | sloeg uiteen |
| jij | slaat uiteen | sloeg uiteen |
| hij, zij, het | slaat uiteen | sloeg uiteen |
| wij | slaan uiteen | sloegen uiteen |
| jullie | slaan uiteen | sloegen uiteen |
| zij | slaan uiteen | sloegen uiteen |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uiteengeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uiteengeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uiteengeslagen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uiteengeslagen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengeslagen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengeslagen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uiteengeslagen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uiteengeslagen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla uiteen | gebiedende wijs |
| sloeg uiteen | verleden tijd |
| te hebben uiteengeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengeslagen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengeslagen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteensla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenslaand | onvoltooid, deelwoord |
| uiteenslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteensloeg | bijzin, verleden tijd |
| uiteensloegen | bijzin, verleden tijd |
| waart uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uiteengeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uiteengeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uiteengeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uiteengeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenslaan uiteen zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengeslagen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteengeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteengeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteenslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengeslagen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en slaan ww
Woordfamilie van uiteenslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sla uiteen | gebiedende wijs | uiteenslaan |
| slaan uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenslaan |
| slaat uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteenslaan |
| sloeg uiteen | verleden tijd | uiteenslaan |
| sloegen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenslaan |
| uiteengeslagen | voltooid deelwoord | uiteenslaan |
| uiteensla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenslaan |
| uiteenslaand | onvoltooid deelwoord | uiteenslaan |
| uiteenslaande | woordvorm | uiteenslaan |
| uiteenslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenslaan |
| uiteensloeg | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenslaan |
| uiteensloegen | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenslaan zijn vastgelegd.