uiteennemen
werkwoordBetekenis
- in zijn onderdelen ontbinden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van uiteennemen
uiteennemenhele werkwoord — nam uiteenverleden tijd enkelvoud — namen uiteenverleden tijd meervoud — uiteengenomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | neem uiteen | nam uiteen |
| jij | neemt uiteen | naamt uiteen |
| hij, zij, het | neemt uiteen | nam uiteen |
| wij | nemen uiteen | namen uiteen |
| jullie | nemen uiteen | namen uiteen |
| zij | nemen uiteen | namen uiteen |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is uiteengenomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uiteengenomen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uiteengenomen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uiteengenomen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengenomen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uiteengenomen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uiteengenomen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uiteengenomen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nam uiteen | verleden tijd |
| neem uiteen | gebiedende wijs |
| te hebben uiteengenomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteennemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te nemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen nemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen nemen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult nemen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengenomen | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengenomen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengenomen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteengenomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengenomen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengenomen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengenomen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengenomen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uiteengenomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengenomen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteengenomen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteennaamt | bijzin, verleden tijd |
| uiteennam | bijzin, verleden tijd |
| uiteennamen | bijzin, verleden tijd |
| uiteenneem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenneemt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteennemend | onvoltooid, deelwoord |
| waren uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uiteengenomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uiteengenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden uiteengenomen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden uiteengenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uiteengenomen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteengenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uiteengenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteennemen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uiteengenomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteengenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uiteengenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteennemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteennemen uiteen zou(dt) nemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteengenomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteennemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteengenomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteennemen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengenomen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteengenomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uiteennemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteennemen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteengenomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uiteennemen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uiteennemen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uiteennemen uiteen zult/zal nemen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en nemen ww
Woordfamilie van uiteennemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| naamt uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteennemen |
| nam uiteen | verleden tijd | uiteennemen |
| namen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteennemen |
| neem uiteen | gebiedende wijs | uiteennemen |
| neemt uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteennemen |
| neme uiteen | woordvorm | uiteennemen |
| nemen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteennemen |
| uiteengenomen | voltooid deelwoord | uiteennemen |
| uiteennaamt | subordinate-clause, verleden tijd | uiteennemen |
| uiteennam | subordinate-clause, verleden tijd | uiteennemen |
| uiteennamen | subordinate-clause, verleden tijd | uiteennemen |
| uiteenneem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteennemen |
| uiteenneemt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteennemen |
| uiteenneme | with-subordinate-clause | uiteennemen |
| uiteennemend | onvoltooid deelwoord | uiteennemen |
| uiteennemende | woordvorm | uiteennemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteennemen zijn vastgelegd.