uiteenlopen
werkwoordBetekenis
- zich in verschillende richting bewegen
- verschillend zijn
Vervoeging van uiteenlopen
uiteenlopenhele werkwoord — liep uiteenverleden tijd enkelvoud — liepen uiteenverleden tijd meervoud — uiteengelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop uiteen | liep uiteen |
| jij | loopt uiteen | liep uiteen |
| hij, zij, het | loopt uiteen | liep uiteen |
| wij | lopen uiteen | liepen uiteen |
| jullie | lopen uiteen | liepen uiteen |
| zij | lopen uiteen | liepen uiteen |
Alle 48 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben uiteengelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| liep uiteen | verleden tijd |
| loop uiteen | gebiedende wijs |
| te hebben/zijn uiteengelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uiteenlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uiteen te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteen zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| uiteen zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteen zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteen zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| uiteengelopen | verleden tijd, deelwoord |
| uiteengelopen te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uiteengelopen zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uiteenliep | bijzin, verleden tijd |
| uiteenliepen | bijzin, verleden tijd |
| uiteenliept | bijzin, verleden tijd |
| uiteenloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uiteenlopend | onvoltooid, deelwoord |
| zal uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uiteenlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uiteengelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uiteenlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uiteenlopen uiteen zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uiteenlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uiteenlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uiteenlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uiteenlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uiteenlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uiteenlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uiteenlopen uiteen zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uiteen bw en lopen ww
Woordfamilie van uiteenlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep uiteen | verleden tijd | uiteenlopen |
| liepen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenlopen |
| loop uiteen | gebiedende wijs | uiteenlopen |
| loopt uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uiteenlopen |
| lope uiteen | woordvorm | uiteenlopen |
| lopen uiteen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uiteenlopen |
| uiteengelopen | voltooid deelwoord | uiteenlopen |
| uiteenliep | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenlopen |
| uiteenliepen | subordinate-clause, verleden tijd | uiteenlopen |
| uiteenloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenlopen |
| uiteenloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uiteenlopen |
| uiteenlope | with-subordinate-clause | uiteenlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uiteenlopen zijn vastgelegd.