uitdruipen
werkwoordBetekenis
- druipend vocht verliezen
Vervoeging van uitdruipen
uitdruipenhele werkwoord — droop uitverleden tijd enkelvoud — dropen uitverleden tijd meervoud — uitgedropenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | druip uit | droop uit |
| jij | druipt uit | droop uit |
| hij, zij, het | druipt uit | droop uit |
| wij | druipen uit | dropen uit |
| jullie | druipen uit | dropen uit |
| zij | druipen uit | dropen uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| droop uit | verleden tijd |
| druip uit | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgedropen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitdruipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te druipen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen druipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal druipen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen druipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen druipen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult druipen | bijzin, toekomende tijd |
| uitdroop | bijzin, verleden tijd |
| uitdropen | bijzin, verleden tijd |
| uitdruip | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdruipend | onvoltooid, deelwoord |
| uitdruipt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgedropen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgedropen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedropen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgedropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedropen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgedropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedropen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgedropen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgedropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgedropen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitdruipen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgedropen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitdruipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitdruipen uit zou(dt) druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitdruipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitdruipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitdruipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitdruipen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitdruipen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal uitdruipen uit zult/zal druipen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en druipen
Woordfamilie van uitdruipen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| droop uit | verleden tijd | uitdruipen |
| dropen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitdruipen |
| druip uit | gebiedende wijs | uitdruipen |
| druipe uit | woordvorm | uitdruipen |
| druipen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitdruipen |
| druipt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitdruipen |
| uitdroop | subordinate-clause, verleden tijd | uitdruipen |
| uitdropen | subordinate-clause, verleden tijd | uitdruipen |
| uitdruip | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdruipen |
| uitdruipe | with-subordinate-clause | uitdruipen |
| uitdruipend | onvoltooid deelwoord | uitdruipen |
| uitdruipende | woordvorm | uitdruipen |
| uitdruipt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdruipen |
| uitgedropen | voltooid deelwoord | uitdruipen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdruipen zijn vastgelegd.