afdruipen
werkwoord ˈɑvdrœypə(n)Betekenis
- het geleidelijke proces waarmee aangehecht vocht van een vast oppervlak valt
- smadelijk weggaan
Hoe spreek je afdruipen uit?
/ˈɑvdrœypən/
Afdruipen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| v | vis |
| d | dak |
| r | rood |
| œy | huis |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van afdruipen
afdruipenhele werkwoord — droop afverleden tijd enkelvoud — dropen afverleden tijd meervoud — afgedropenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | druip af | droop af |
| jij | druipt af | droop af |
| hij, zij, het | druipt af | droop af |
| wij | druipen af | dropen af |
| jullie | druipen af | dropen af |
| zij | druipen af | dropen af |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te druipen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen druipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal druipen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen druipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen druipen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult druipen | bijzin, toekomende tijd |
| afdroop | bijzin, verleden tijd |
| afdropen | bijzin, verleden tijd |
| afdruip | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afdruipend | onvoltooid, deelwoord |
| afdruipt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afgedropen | verleden tijd, deelwoord |
| afgedropen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgedropen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| droop af | verleden tijd |
| druip af | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| is afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgedropen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afdruipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgedropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedropen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgedropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgedropen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgedropen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgedropen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgedropen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afdruipen | bijzin, toekomende tijd |
| zal afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn afgedropen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgedropen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afdruipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) afdruipen af zou(dt) druipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afdruipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afdruipen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgedropen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen afdruipen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afdruipen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult afdruipen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afdruipen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgedropen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal afdruipen af zult/zal druipen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en druipen ww
Woordfamilie van afdruipen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afdroop | subordinate-clause, verleden tijd | afdruipen |
| afdropen | subordinate-clause, verleden tijd | afdruipen |
| afdruip | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdruipen |
| afdruipe | with-subordinate-clause | afdruipen |
| afdruipend | onvoltooid deelwoord | afdruipen |
| afdruipende | woordvorm | afdruipen |
| afdruipt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afdruipen |
| afgedropen | voltooid deelwoord | afdruipen |
| droop af | verleden tijd | afdruipen |
| dropen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afdruipen |
| druip af | gebiedende wijs | afdruipen |
| druipe af | woordvorm | afdruipen |
| druipen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afdruipen |
| druipt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afdruipen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afdruipen zijn vastgelegd.