Naar de inhoud

uitdrogen

door en door droog worden

uitdrogen

werkwoord

Betekenis

  1. door en door droog worden

Vervoeging van uitdrogen

uitdrogenhele werkwoord — droogde uitverleden tijd enkelvoud — droogden uitverleden tijd meervoud — uitgedroogdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik droog uit droogde uit
jij droogt uit droogde uit
hij, zij, het droogt uit droogde uit
wij drogen uit droogden uit
jullie drogen uit droogden uit
zij drogen uit droogden uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
droog uit gebiedende wijs
droogde uit verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgedroogd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitdrogen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te drogen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen drogen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal drogen bijzin, toekomende tijd
uit zou drogen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden drogen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt drogen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen drogen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen drogen bijzin, toekomende tijd
uit zult drogen bijzin, toekomende tijd
uitdrogend onvoltooid, deelwoord
uitdroog bijzin, tegenwoordige tijd
uitdroogde bijzin, verleden tijd
uitdroogden bijzin, verleden tijd
uitdroogt bijzin, tegenwoordige tijd
uitgedroogd verleden tijd, deelwoord
uitgedroogd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedroogd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgedroogd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedroogd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgedroogd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedroogd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgedroogd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgedroogd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgedroogd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitdrogen bijzin, toekomende tijd
zal uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgedroogd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgedroogd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitdrogen bijzin, voorwaardelijk
zou uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitdrogen uit zou(dt) drogen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitdrogen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitdrogen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgedroogd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitdrogen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitdrogen bijzin, toekomende tijd
zullen uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitdrogen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitdrogen bijzin, toekomende tijd
zult uitgedroogd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitdrogen uit zult/zal drogen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en drogen

Woordfamilie van uitdrogen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
droge uit woordvorm uitdrogen
drogen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitdrogen
droog uit gebiedende wijs uitdrogen
droogde uit verleden tijd uitdrogen
droogden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitdrogen
droogt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitdrogen
uitdroge with-subordinate-clause uitdrogen
uitdrogend onvoltooid deelwoord uitdrogen
uitdrogende woordvorm uitdrogen
uitdroog subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdrogen
uitdroogde subordinate-clause, verleden tijd uitdrogen
uitdroogden subordinate-clause, verleden tijd uitdrogen
uitdroogt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdrogen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdrogen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitdrogen

Wat betekent uitdrogen?
Uitdrogen is een werkwoord. Het woord betekent: door en door droog worden.
Hoe vervoeg je uitdrogen?
Je vervoegt uitdrogen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgedroogd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitdrogen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. D 2
  5. R 2
  6. O 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitdrogen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. D 2
  5. R 2
  6. O 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitdrogen in het kort

uitdrogen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitdrogen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitdrogen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitdrogen: door en door droog worden
Deel uitdrogen — standaardnederlands.nl