Naar de inhoud

uitchecken

bepaalde handelingen verrichten bij het verlaten van een informatiesysteem of transportmiddel

uitchecken

werkwoord

Betekenis

  1. bepaalde handelingen verrichten bij het verlaten van een informatiesysteem of transportmiddel

Vervoeging van uitchecken

uitcheckenhele werkwoord — checkte uitverleden tijd enkelvoud — checkten uitverleden tijd meervoud — uitgechecktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik check uit checkte uit
jij checkt uit checkte uit
hij, zij, het checkt uit checkte uit
wij checken uit checkten uit
jullie checken uit checkten uit
zij checken uit checkten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
check uit gebiedende wijs
checkte uit verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had uitgecheckt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgecheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgecheckt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgecheckt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgecheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgecheckt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgecheckt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgecheckt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgecheckt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgecheckt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitchecken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te checken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen checken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal checken bijzin, toekomende tijd
uit zou checken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden checken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt checken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen checken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen checken bijzin, toekomende tijd
uit zult checken bijzin, toekomende tijd
uitcheck bijzin, tegenwoordige tijd
uitcheckend onvoltooid, deelwoord
uitcheckt bijzin, tegenwoordige tijd
uitcheckte bijzin, verleden tijd
uitcheckten bijzin, verleden tijd
uitgecheckt verleden tijd, deelwoord
uitgecheckt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgecheckt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitchecken bijzin, toekomende tijd
zal uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitchecken bijzin, voorwaardelijk
zou uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitchecken uit zou(dt) checken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitchecken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitchecken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgecheckt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitchecken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitchecken bijzin, toekomende tijd
zullen uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitchecken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitchecken bijzin, toekomende tijd
zult uitgecheckt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitchecken uit zult/zal checken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

Ontleend aan het Engels

Woordfamilie van uitchecken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
check uit gebiedende wijs uitchecken
checke uit woordvorm uitchecken
checken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitchecken
checkt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitchecken
checkte uit verleden tijd uitchecken
checkten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitchecken
uitcheck subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitchecken
uitchecke with-subordinate-clause uitchecken
uitcheckend onvoltooid deelwoord uitchecken
uitcheckende woordvorm uitchecken
uitcheckt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitchecken
uitcheckte subordinate-clause, verleden tijd uitchecken
uitcheckten subordinate-clause, verleden tijd uitchecken
uitgecheckt voltooid deelwoord uitchecken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitchecken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitchecken

Wat is de betekenis van uitchecken?
Uitchecken is een werkwoord. De betekenis is: bepaalde handelingen verrichten bij het verlaten van een informatiesysteem of transportmiddel.
Hoe vervoeg ik uitchecken?
Zo vervoeg je uitchecken zo: het voltooid deelwoord is uitgecheckt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitchecken is 27 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. C 5
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 27 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitchecken levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. C 5
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 26 zonder bonus
  12. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitchecken in het kort

uitchecken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitchecken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitchecken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitchecken: bepaalde handelingen verrichten bij het verlaten van een informatiesysteem of transportmiddel
Deel uitchecken — standaardnederlands.nl