Naar de inhoud

uitbroeden

eieren verwarmen totdat deze uitkomen

uitbroeden

werkwoord

Betekenis

  1. eieren verwarmen totdat deze uitkomen
  2. bedenken, uitwerken

Vervoeging van uitbroeden

uitbroedenhele werkwoord — broedde uitverleden tijd enkelvoud — broedden uitverleden tijd meervoud — uitgebroedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik broed uit broedde uit
jij broedt uit broedde uit
hij, zij, het broedt uit broedde uit
wij broeden uit broedden uit
jullie broeden uit broedden uit
zij broeden uit broedden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
broed uit gebiedende wijs
broedde uit verleden tijd
er is uitgebroed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebroed impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebroed impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebroed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebroed worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebroed zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebroed worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebroed zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebroed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebroed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebroed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebroed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebroed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebroed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebroed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebroed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebroed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbroeden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te broeden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen broeden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal broeden bijzin, toekomende tijd
uit zou broeden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden broeden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt broeden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen broeden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen broeden bijzin, toekomende tijd
uit zult broeden bijzin, toekomende tijd
uitbroed bijzin, tegenwoordige tijd
uitbroedde bijzin, verleden tijd
uitbroedden bijzin, verleden tijd
uitbroedend onvoltooid, deelwoord
uitbroedt bijzin, tegenwoordige tijd
uitgebroed verleden tijd, deelwoord
uitgebroed te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebroed te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebroed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebroed te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebroed te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebroed worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebroed zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebroed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebroed zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebroed zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebroed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebroed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebroed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebroed voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebroed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebroed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebroed voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgebroed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbroeden bijzin, toekomende tijd
zal uitgebroed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebroed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebroed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebroed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebroed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebroed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbroeden bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbroeden uit zou(dt) broeden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbroeden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbroeden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebroed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebroed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbroeden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbroeden bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebroed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebroed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebroed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgebroed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebroed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebroed zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebroed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbroeden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en broeden ww

Woordfamilie van uitbroeden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
broed uit gebiedende wijs uitbroeden
broedde uit verleden tijd uitbroeden
broedden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbroeden
broede uit woordvorm uitbroeden
broeden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbroeden
broedt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitbroeden
uitbroed subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbroeden
uitbroedde subordinate-clause, verleden tijd uitbroeden
uitbroedden subordinate-clause, verleden tijd uitbroeden
uitbroede with-subordinate-clause uitbroeden
uitbroedend onvoltooid deelwoord uitbroeden
uitbroedende woordvorm uitbroeden
uitbroedt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbroeden
uitgebroed voltooid deelwoord uitbroeden
uitgebroede woordvorm uitbroeden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbroeden zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitbroeden

Wat betekent uitbroeden?
Uitbroeden is een werkwoord. Het woord betekent: eieren verwarmen totdat deze uitkomen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitbroeden?
Je vervoegt uitbroeden als volgt: het voltooid deelwoord is uitgebroed. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbroeden is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. R 2
  6. O 1
  7. E 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbroeden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. R 2
  6. O 1
  7. E 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 zonder bonus
  12. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbroeden in het kort

uitbroeden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitbroeden zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitbroeden bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitbroeden: eieren verwarmen totdat deze uitkomen
Deel uitbroeden — standaardnederlands.nl