uitbreken
werkwoordBetekenis
- zichzelf bevrijden uit gevangenschap
- plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
- het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer
Vervoeging van uitbreken
uitbrekenhele werkwoord — brak uitverleden tijd enkelvoud — braken uitverleden tijd meervoud — uitgebrokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breek uit | brak uit |
| jij | breekt uit | braakt uit |
| hij, zij, het | breekt uit | brak uit |
| wij | breken uit | braken uit |
| jullie | breken uit | braken uit |
| zij | breken uit | braken uit |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| brak uit | verleden tijd |
| breek uit | gebiedende wijs |
| er is uitgebroken | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was uitgebroken | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd uitgebroken | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt uitgebroken | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal uitgebroken worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal uitgebroken zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou uitgebroken worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou uitgebroken zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben uitgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is uitgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn uitgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te breken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal breken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou breken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden breken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt breken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen breken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen breken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult breken | bijzin, toekomende tijd |
| uitbraakt | bijzin, verleden tijd |
| uitbrak | bijzin, verleden tijd |
| uitbraken | bijzin, verleden tijd |
| uitbreek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbreekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbrekend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgebroken | verleden tijd, deelwoord |
| uitgebroken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebroken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebroken te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebroken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebroken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebroken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebroken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebroken zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebroken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebroken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waren uitgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgebroken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden uitgebroken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden uitgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgebroken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgebroken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgebroken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbreken uit zou(dt) breken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebroken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbreken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitbreken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgebroken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebroken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbreken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitbreken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitbreken uit zult/zal breken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en breken ww
Woordfamilie van uitbreken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brak uit | verleden tijd | uitbreken |
| breek uit | gebiedende wijs | uitbreken |
| breekt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitbreken |
| breke uit | woordvorm | uitbreken |
| breken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitbreken |
| uitbrak | subordinate-clause, verleden tijd | uitbreken |
| uitbreek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbreken |
| uitbreekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbreken |
| uitbreke | with-subordinate-clause | uitbreken |
| uitbrekend | onvoltooid deelwoord | uitbreken |
| uitbrekende | woordvorm | uitbreken |
| uitgebroken | voltooid deelwoord | uitbreken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbreken zijn vastgelegd.