Naar de inhoud

uitbreken

zichzelf bevrijden uit gevangenschap

uitbreken

werkwoord

Betekenis

  1. zichzelf bevrijden uit gevangenschap
  2. plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
  3. het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer

Vervoeging van uitbreken

uitbrekenhele werkwoord — brak uitverleden tijd enkelvoud — braken uitverleden tijd meervoud — uitgebrokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breek uit brak uit
jij breekt uit braakt uit
hij, zij, het breekt uit brak uit
wij breken uit braken uit
jullie breken uit braken uit
zij breken uit braken uit
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
brak uit verleden tijd
breek uit gebiedende wijs
er is uitgebroken impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was uitgebroken impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd uitgebroken impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt uitgebroken impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgebroken worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgebroken zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou uitgebroken worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou uitgebroken zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben uitgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is uitgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn uitgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te breken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal breken bijzin, toekomende tijd
uit zou breken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden breken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt breken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen breken bijzin, toekomende tijd
uit zult breken bijzin, toekomende tijd
uitbraakt bijzin, verleden tijd
uitbrak bijzin, verleden tijd
uitbraken bijzin, verleden tijd
uitbreek bijzin, tegenwoordige tijd
uitbreekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitbrekend onvoltooid, deelwoord
uitgebroken verleden tijd, deelwoord
uitgebroken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebroken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebroken te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebroken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebroken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebroken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebroken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebroken zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebroken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebroken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waren uitgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden uitgebroken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden uitgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebroken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbreken bijzin, toekomende tijd
zal uitgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbreken bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbreken uit zou(dt) breken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbreken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebroken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbreken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbreken bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebroken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebroken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitbreken bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitbreken uit zult/zal breken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en breken ww

Woordfamilie van uitbreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brak uit verleden tijd uitbreken
breek uit gebiedende wijs uitbreken
breekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitbreken
breke uit woordvorm uitbreken
breken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitbreken
uitbrak subordinate-clause, verleden tijd uitbreken
uitbreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbreken
uitbreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitbreken
uitbreke with-subordinate-clause uitbreken
uitbrekend onvoltooid deelwoord uitbreken
uitbrekende woordvorm uitbreken
uitgebroken voltooid deelwoord uitbreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitbreken

Wat is de betekenis van uitbreken?
Uitbreken is een werkwoord. De betekenis is: zichzelf bevrijden uit gevangenschap. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitbreken?
Zo vervoeg je uitbreken zo: het voltooid deelwoord is uitgebroken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbreken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbreken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbreken in het kort

uitbreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitbreken staan er 68 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbreken bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbreken: zichzelf bevrijden uit gevangenschap
Deel uitbreken — standaardnederlands.nl