cauteriseren
werkwoordBetekenis
- uitbranden van wonden
Vervoeging van cauteriseren
cauteriserenhele werkwoord — cauteriseerdeverleden tijd enkelvoud — cauteriseerdenverleden tijd meervoud — gecauteriseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | cauteriseer | cauteriseerde |
| jij | cauteriseert | cauteriseerde |
| hij, zij, het | cauteriseert | cauteriseerde |
| wij | cauteriseren | cauteriseerden |
| jullie | cauteriseren | cauteriseerden |
| zij | cauteriseren | cauteriseerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cauteriseer | gebiedende wijs |
| cauteriseerde | verleden tijd |
| cauterisere | aanvoegende wijs |
| cauteriserend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecauteriseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecauteriseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecauteriseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecauteriseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecauteriseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecauteriseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te cauteriseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecauteriseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen cauteriseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecauteriseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen cauteriseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult cauteriseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecauteriseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse cautériser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van cauteriseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cauteriseer | gebiedende wijs | cauteriseren |
| cauteriseerde | verleden tijd | cauteriseren |
| cauteriseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | cauteriseren |
| cauteriseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | cauteriseren |
| cauterisere | aanvoegende wijs | cauteriseren |
| cauteriserend | onvoltooid deelwoord | cauteriseren |
| cauteriserende | woordvorm | cauteriseren |
| gecauteriseerd | voltooid deelwoord | cauteriseren |
| gecauteriseerde | woordvorm | cauteriseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cauteriseren zijn vastgelegd.