uitbouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈœytbɑu̯ə(n)/Betekenis
- een bestaand gebouw groter maken door er iets aan te bouwen
- een organisatie of denkbeeld verder uitbreiden
- zelfstandig gebruik van de infinitief
Hoe spreek je uitbouwen uit?
/ˈœytbɑuən/
Uitbouwen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitbouwen
uitbouwenhele werkwoord — bouwde uitverleden tijd enkelvoud — bouwden uitverleden tijd meervoud — uitgebouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bouw uit | bouwde uit |
| jij | bouwt uit | bouwde uit |
| hij, zij, het | bouwt uit | bouwde uit |
| wij | bouwen uit | bouwden uit |
| jullie | bouwen uit | bouwden uit |
| zij | bouwen uit | bouwden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bouw uit | gebiedende wijs |
| bouwde uit | verleden tijd |
| er is uitgebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgebouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgebouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgebouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgebouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen bouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult bouwen | bijzin, toekomende tijd |
| uitbouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbouwde | bijzin, verleden tijd |
| uitbouwden | bijzin, verleden tijd |
| uitbouwend | onvoltooid, deelwoord |
| uitbouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgebouwd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgebouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgebouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbouwen uit zou(dt) bouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgebouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitbouw
Herkomst
samenstelling van uit bw en bouwen ww
Woordfamilie van uitbouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouw uit | gebiedende wijs | uitbouwen |
| bouwde uit | verleden tijd | uitbouwen |
| bouwden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitbouwen |
| bouwe uit | woordvorm | uitbouwen |
| bouwen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitbouwen |
| bouwt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitbouwen |
| uitbouwde | subordinate-clause, verleden tijd | uitbouwen |
| uitbouwden | subordinate-clause, verleden tijd | uitbouwen |
| uitbouwe | with-subordinate-clause | uitbouwen |
| uitbouwend | onvoltooid deelwoord | uitbouwen |
| uitbouwende | woordvorm | uitbouwen |
| uitbouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbouwen zijn vastgelegd.