uitbouw
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈœydbɑuBetekenis
- activiteiten om een gebouw groter te maken
- uitspringende deel van een gebouw
- ontwikkeling gericht op uitbreiding
Hoe spreek je uitbouw uit?
/ˈœydbɑu/
Uitbouw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitbouwen | meervoud |
| uitbouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitbouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitbouwen
Vervoeging van uitbouw
uitbouwhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van uit bw en bouw zn
Woordfamilie van uitbouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitbouwtje | verkleinwoord | uitbouw |
| uitbouwtjes | verkleinwoord meervoud | uitbouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbouw zijn vastgelegd.