uitbijter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- uitzondering
- getal of gegeven dat niet tot een grotere groep behoort
- klein gebied van jongere gesteenten dat omgeven is door oudere gesteenten
- knorrepot, bullebak, zuurkijker, vitter, iezegrim
Herkomst
Naamwoord van handeling van uitbijten met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van uitbijter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitbijters | meervoud | uitbijter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbijter zijn vastgelegd.