twist
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een langdurig geschil
- een dans uit de jaren 1960
- draai, draaiing
- draaien, verdraaien
zelfstandig naamwoord — masculine
- een speciale dansstijl opgekomen in de jaren 1960, waarbij de danspartners elkaar niet vasthouden maar wel bepaalde draaibewegingen maken
- machinaal vervaardigd katoengaren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| twisten | meervoud |
| twistje | verkleinwoord, enkelvoud |
| twistjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van twisten
- gebiedende wijs van twisten
Vervoeging van twist
twisthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ruzie’ voor het eerst aangetroffen in 1237
Woordfamilie van twist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| twistje | verkleinwoord | twist |
| twistjes | verkleinwoord meervoud | twist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van twist zijn vastgelegd.