tunnel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtʏnəlBetekenis
- een kunstmatige ondergrondse doorgang
- iets dat lang en overdekt is
- onderdoorgang, voetgangerstunnel
- een kleinere holle gang, bijvoorbeeld in een machine.
- situatie, een stuk levensweg.
- doorlaat, gat
Hoe spreek je tunnel uit?
/ˈtʏnəl/
Tunnel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʏ | put |
| n | nek |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een kunstmatige ondergrondse doorgang, m.n. op autowegen
- langwerpig hol [2]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tunnels | meervoud |
| tunneltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tunneltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tunnelen
- gebiedende wijs van tunnelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tunnelen
Vervoeging van tunnel
tunnelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kunstmatige doorgang’ voor het eerst aangetroffen in 1834
Woordfamilie van tunnel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tunnels | meervoud | tunnel |
| tunneltje | verkleinwoord | tunnel |
| tunneltjes | verkleinwoord meervoud | tunnel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tunnel zijn vastgelegd.