tuniek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een opperkleed gedragen door bisschoppen
- lange bloes, of korte jurk die vaak over een broek gedragen wordt door vrouwen
- korte uniformjas, mini-jurk voor mannen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tunieken | meervoud |
| tuniekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tuniekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘korte uniformjas’ voor het eerst aangetroffen in 1864
Woordfamilie van tuniek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tunieken | meervoud | tuniek |
| tuniekje | verkleinwoord | tuniek |
| tuniekjes | verkleinwoord meervoud | tuniek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tuniek zijn vastgelegd.