buis
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een hol, cilindrisch voorwerp
- (België) een onvoldoende rapportcijfer
- een televisie
- het onderste deel van een vergroeidbladige kelk of kroon
- een mechanisme dat in de kop van projectielen geschroefd wordt om deze te laten springen
- een vissersboot
- een eenvoudig jasje
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een onvoldoende rapportcijfer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buisjes | verkleinwoord, meervoud |
| buizen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buizen
- gebiedende wijs van buizen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buizen
Vervoeging van buis
buishele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘leiding’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van buis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buisje | verkleinwoord | buis |
| buisjes | verkleinwoord meervoud | buis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buis zijn vastgelegd.