tuien
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈtœywə(n)/Betekenis
- met tuien vastzetten
Hoe spreek je tuien uit?
/ˈtœywən/
Tuien bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| œy | huis |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van tuien
tuienhele werkwoord — tuideverleden tijd enkelvoud — tuidenverleden tijd meervoud — getuidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tui | tuide |
| jij | tuit | tuide |
| hij, zij, het | tuit | tuide |
| wij | tuien | tuiden |
| jullie | tuien | tuiden |
| zij | tuien | tuiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getuid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getuid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getuid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getuid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getuid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getuid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getuid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getuid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getuid | verleden tijd, deelwoord |
| getuid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getuid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getuid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getuid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getuid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getuid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getuid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getuid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getuid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getuid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getuid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getuid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tuien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tuien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tui | gebiedende wijs |
| tuide | verleden tijd |
| tuie | aanvoegende wijs |
| tuiend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getuid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tuien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tuien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getuid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tuien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tui
Woordfamilie van tuien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getuid | voltooid deelwoord | tuien |
| getuide | woordvorm | tuien |
| tuide | verleden tijd | tuien |
| tuiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tuien |
| tuie | aanvoegende wijs | tuien |
| tuiend | onvoltooid deelwoord | tuien |
| tuiende | woordvorm | tuien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tuien zijn vastgelegd.