Naar de inhoud

trommelen

ritmisch op iets slaan

trommelen

werkwoord

Betekenis

  1. ritmisch op iets slaan

Vervoeging van trommelen

trommelenhele werkwoord — trommeldeverleden tijd enkelvoud — trommeldenverleden tijd meervoud — getrommeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trommel trommelde
jij trommelt trommelde
hij, zij, het trommelt trommelde
wij trommelen trommelden
jullie trommelen trommelden
zij trommelen trommelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is getrommeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getrommeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getrommeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getrommeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getrommeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getrommeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getrommeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getrommeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getrommeld verleden tijd, deelwoord
getrommeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getrommeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getrommeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getrommeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getrommeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getrommeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getrommeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getrommeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getrommeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getrommeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getrommeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getrommeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te trommelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen trommelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trommel gebiedende wijs
trommelde verleden tijd
trommele aanvoegende wijs
trommelend onvoltooid, deelwoord
zal getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getrommeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt trommelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen trommelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getrommeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult trommelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van trommel met het achtervoegsel -en of van trom met het achtervoegsel -el [2], met het achtervoegsel -en en volgens regel 2.B

Woordfamilie van trommelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getrommeld voltooid deelwoord trommelen
getrommelde woordvorm trommelen
trommelde verleden tijd trommelen
trommelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon trommelen
trommele aanvoegende wijs trommelen
trommelend onvoltooid deelwoord trommelen
trommelende woordvorm trommelen
trommelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon trommelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trommelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over trommelen

Wat betekent trommelen?
Trommelen is een werkwoord. Het woord betekent: ritmisch op iets slaan.
Hoe vervoeg je trommelen?
Je vervoegt trommelen als volgt: de tegenwoordige tijd is trommel, de verleden tijd is trommelde en het voltooid deelwoord is getrommeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord trommelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. M 3
  5. M 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

trommelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. O 1
  4. M 3
  5. M 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

trommelen in het kort

trommelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van trommelen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort trommelen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

trommelen: ritmisch op iets slaan
Deel trommelen — standaardnederlands.nl