traineren
werkwoordBetekenis
- op de lange baan schuiven
werkwoord
- doelbewust vertragen
Vervoeging van traineren
trainerenhele werkwoord — traineerdeverleden tijd enkelvoud — traineerdenverleden tijd meervoud — getraineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | traineer | traineerde |
| jij | traineert | traineerde |
| hij, zij, het | traineert | traineerde |
| wij | traineren | traineerden |
| jullie | traineren | traineerden |
| zij | traineren | traineerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getraineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getraineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getraineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getraineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getraineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getraineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getraineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getraineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getraineerd | verleden tijd, deelwoord |
| getraineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getraineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getraineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getraineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getraineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getraineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getraineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getraineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getraineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getraineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getraineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getraineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te traineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen traineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| traineer | gebiedende wijs |
| traineerde | verleden tijd |
| trainere | aanvoegende wijs |
| trainerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getraineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt traineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen traineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getraineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult traineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘op de lange baan schuiven’ voor het eerst aangetroffen in 1574
Woordfamilie van traineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getraineerd | voltooid deelwoord | traineren |
| getraineerde | woordvorm | traineren |
| traineer | gebiedende wijs | traineren |
| traineerde | verleden tijd | traineren |
| traineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | traineren |
| traineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | traineren |
| trainere | aanvoegende wijs | traineren |
| trainerend | onvoltooid deelwoord | traineren |
| trainerende | woordvorm | traineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van traineren zijn vastgelegd.