Naar de inhoud

trachten

een poging in het werk stellen

trachten

werkwoord

Betekenis

  1. een poging in het werk stellen

Vervoeging van trachten

trachtenhele werkwoord — trachtteverleden tijd enkelvoud — trachttenverleden tijd meervoud — getrachtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tracht trachtte
jij tracht trachtte
hij, zij, het tracht trachtte
wij trachten trachtten
jullie trachten trachtten
zij trachten trachtten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
getracht verleden tijd, deelwoord
getracht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getracht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getracht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getracht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getracht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getracht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getracht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getracht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getracht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te trachten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen trachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tracht gebiedende wijs
trachte aanvoegende wijs
trachtend onvoltooid, deelwoord
trachtte verleden tijd
zal getracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getracht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt trachten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getracht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getracht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen trachten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getracht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult trachten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn (trahare), in de betekenis van ‘proberen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588

Woordfamilie van trachten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getracht voltooid deelwoord trachten
tracht gebiedende wijs trachten
trachte aanvoegende wijs trachten
trachtend onvoltooid deelwoord trachten
trachtende woordvorm trachten
trachtte verleden tijd trachten
trachtten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon trachten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trachten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over trachten

Wat is de betekenis van trachten?
Trachten is een werkwoord. De betekenis is: een poging in het werk stellen.
Hoe vervoeg ik trachten?
Zo vervoeg je trachten zo: de tegenwoordige tijd is tracht, de verleden tijd is trachtte en het voltooid deelwoord is getracht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord trachten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. R 2
  3. A 1
  4. C 5
  5. H 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

trachten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. R 2
  3. A 1
  4. C 5
  5. H 4
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

trachten in het kort

trachten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van trachten staan er 31 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort trachten bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

trachten: een poging in het werk stellen
Deel trachten — standaardnederlands.nl