tokkelen
werkwoordBetekenis
- snaren met kleine rukjes bespelen
- zich hangend aan een stalen kabel voortbewegen
werkwoord
- geslachtsgemeenschap hebben
Vervoeging van tokkelen
tokkelenhele werkwoord — tokkeldeverleden tijd enkelvoud — tokkeldenverleden tijd meervoud — getokkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tokkel | tokkelde |
| jij | tokkelt | tokkelde |
| hij, zij, het | tokkelt | tokkelde |
| wij | tokkelen | tokkelden |
| jullie | tokkelen | tokkelden |
| zij | tokkelen | tokkelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getokkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getokkeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getokkeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getokkeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getokkeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getokkeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getokkeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getokkeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getokkeld | verleden tijd, deelwoord |
| getokkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getokkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getokkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getokkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getokkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getokkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getokkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tokkel | gebiedende wijs |
| tokkelde | verleden tijd |
| tokkele | aanvoegende wijs |
| tokkelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getokkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tokkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getokkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tokkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘snaarinstrument bespelen’ voor het eerst aangetroffen in 1583
Woordfamilie van tokkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getokkeld | voltooid deelwoord | tokkelen |
| getokkelde | woordvorm | tokkelen |
| tokkel | gebiedende wijs | tokkelen |
| tokkelde | verleden tijd | tokkelen |
| tokkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tokkelen |
| tokkele | aanvoegende wijs | tokkelen |
| tokkelend | onvoltooid deelwoord | tokkelen |
| tokkelende | woordvorm | tokkelen |
| tokkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tokkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tokkelen zijn vastgelegd.