Naar de inhoud

oprapen

in de hand nemen en van de grond opheffen

oprapen

werkwoord

Betekenis

  1. in de hand nemen en van de grond opheffen

Vervoeging van oprapen

oprapenhele werkwoord — raapte opverleden tijd enkelvoud — raapten opverleden tijd meervoud — opgeraaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik raap op raapte op
jij raapt op raapte op
hij, zij, het raapt op raapte op
wij rapen op raapten op
jullie rapen op raapten op
zij rapen op raapten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeraapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeraapt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeraapt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeraapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeraapt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeraapt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeraapt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeraapt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeraapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeraapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeraapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeraapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeraapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeraapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeraapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeraapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te rapen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen rapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal rapen bijzin, toekomende tijd
op zou rapen bijzin, voorwaardelijk
op zouden rapen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt rapen bijzin, voorwaardelijk
op zullen rapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen rapen bijzin, toekomende tijd
op zult rapen bijzin, toekomende tijd
opgeraapt verleden tijd, deelwoord
opgeraapt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeraapt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeraapt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeraapt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeraapt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeraapt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeraapt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeraapt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeraapt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeraapt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opraap bijzin, tegenwoordige tijd
opraapt bijzin, tegenwoordige tijd
opraapte bijzin, verleden tijd
opraapten bijzin, verleden tijd
oprapend onvoltooid, deelwoord
raap op gebiedende wijs
raapte op verleden tijd
te hebben opgeraapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oprapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeraapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeraapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeraapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeraapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeraapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeraapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeraapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeraapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeraapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeraapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oprapen bijzin, toekomende tijd
zijn opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeraapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oprapen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oprapen op zou(dt) rapen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oprapen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeraapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeraapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oprapen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeraapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeraapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeraapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeraapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oprapen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oprapen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oprapen bijzin, toekomende tijd
zult opgeraapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en rapen ww

Woordfamilie van oprapen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeraapt voltooid deelwoord oprapen
opgeraapte woordvorm oprapen
opraap subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprapen
opraapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprapen
opraapte subordinate-clause, verleden tijd oprapen
opraapten subordinate-clause, verleden tijd oprapen
oprape with-subordinate-clause oprapen
oprapend onvoltooid deelwoord oprapen
oprapende woordvorm oprapen
raap op gebiedende wijs oprapen
raapt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oprapen
raapte op verleden tijd oprapen
raapten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oprapen
rape op woordvorm oprapen
rapen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oprapen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprapen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oprapen

Wat is de betekenis van oprapen?
Oprapen is een werkwoord. De betekenis is: in de hand nemen en van de grond opheffen.
Hoe vervoeg ik oprapen?
Zo vervoeg je oprapen zo: het voltooid deelwoord is opgeraapt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oprapen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. A 1
  5. P 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oprapen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. A 1
  5. P 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

oprapen telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

oprapen in het kort

oprapen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van oprapen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort oprapen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

oprapen: in de hand nemen en van de grond opheffen
Deel oprapen — standaardnederlands.nl