oprapen
werkwoordBetekenis
- in de hand nemen en van de grond opheffen
Vervoeging van oprapen
oprapenhele werkwoord — raapte opverleden tijd enkelvoud — raapten opverleden tijd meervoud — opgeraaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | raap op | raapte op |
| jij | raapt op | raapte op |
| hij, zij, het | raapt op | raapte op |
| wij | rapen op | raapten op |
| jullie | rapen op | raapten op |
| zij | rapen op | raapten op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeraapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeraapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeraapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeraapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeraapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeraapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeraapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeraapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeraapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeraapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeraapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeraapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeraapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te rapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen rapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal rapen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou rapen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden rapen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt rapen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen rapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen rapen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult rapen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeraapt | verleden tijd, deelwoord |
| opgeraapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeraapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeraapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeraapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeraapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeraapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeraapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeraapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeraapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeraapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opraap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opraapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opraapte | bijzin, verleden tijd |
| opraapten | bijzin, verleden tijd |
| oprapend | onvoltooid, deelwoord |
| raap op | gebiedende wijs |
| raapte op | verleden tijd |
| te hebben opgeraapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oprapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeraapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeraapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeraapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeraapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeraapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeraapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeraapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeraapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oprapen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeraapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oprapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oprapen op zou(dt) rapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oprapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeraapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeraapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oprapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeraapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeraapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeraapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeraapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oprapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oprapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oprapen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeraapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en rapen ww
Woordfamilie van oprapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeraapt | voltooid deelwoord | oprapen |
| opgeraapte | woordvorm | oprapen |
| opraap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oprapen |
| opraapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oprapen |
| opraapte | subordinate-clause, verleden tijd | oprapen |
| opraapten | subordinate-clause, verleden tijd | oprapen |
| oprape | with-subordinate-clause | oprapen |
| oprapend | onvoltooid deelwoord | oprapen |
| oprapende | woordvorm | oprapen |
| raap op | gebiedende wijs | oprapen |
| raapt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oprapen |
| raapte op | verleden tijd | oprapen |
| raapten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oprapen |
| rape op | woordvorm | oprapen |
| rapen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oprapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprapen zijn vastgelegd.