titel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtitəlBetekenis
- opschrift van een boek of ander document
- academische of adellijke aanduiding van een persoon
- juridische grond voor de overdracht van een goed
- academische
- opschrift van een document
Hoe spreek je titel uit?
/ˈtitəl/
Titel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| i | riet |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- academische, adellijke of sportieve aanduiding van een persoon
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| titels | meervoud |
| titeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| titeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van titelen
- gebiedende wijs van titelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van titelen
Vervoeging van titel
titelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘opschrift, naam’ voor het eerst aangetroffen in 1291
Woordfamilie van titel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| titels | meervoud | titel |
| titeltje | verkleinwoord | titel |
| titeltjes | verkleinwoord meervoud | titel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van titel zijn vastgelegd.