titelen
werkwoordBetekenis
- betitelen
Vervoeging van titelen
titelenhele werkwoord — titeldeverleden tijd enkelvoud — titeldenverleden tijd meervoud — getiteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | titel | titelde |
| jij | titelt | titelde |
| hij, zij, het | titelt | titelde |
| wij | titelen | titelden |
| jullie | titelen | titelden |
| zij | titelen | titelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getiteld | verleden tijd, deelwoord |
| getiteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getiteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getiteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getiteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getiteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getiteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getiteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getiteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getiteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getiteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getiteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getiteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te titelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen titelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| titel | gebiedende wijs |
| titelde | verleden tijd |
| titele | aanvoegende wijs |
| titelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getiteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt titelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen titelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getiteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult titelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van titel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van titelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getiteld | voltooid deelwoord | titelen |
| titelde | verleden tijd | titelen |
| titelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | titelen |
| titele | aanvoegende wijs | titelen |
| titelend | onvoltooid deelwoord | titelen |
| titelende | woordvorm | titelen |
| titelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | titelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van titelen zijn vastgelegd.