timmeraar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt; timmerman of timmervrouw
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| timmeraars | meervoud |
| timmeraartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| timmeraartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Afleiding van timmeren met het achtervoegsel -aar.
Woordfamilie van timmeraar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| timmeraars | meervoud | timmeraar |
| timmeraartje | verkleinwoord | timmeraar |
| timmeraartjes | verkleinwoord meervoud | timmeraar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van timmeraar zijn vastgelegd.