tikkelen
werkwoord /ˈtɪkələ(n)/Betekenis
- herhaaldelijk met een korte beweging aanraken
- herhaaldelijk tikken laten horen
Hoe spreek je tikkelen uit?
/ˈtɪkələn/
Tikkelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van tikkelen
tikkelenhele werkwoord — tikkeldeverleden tijd enkelvoud — tikkeldenverleden tijd meervoud — getikkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tikkel | tikkelde |
| jij | tikkelt | tikkelde |
| hij, zij, het | tikkelt | tikkelde |
| wij | tikkelen | tikkelden |
| jullie | tikkelen | tikkelden |
| zij | tikkelen | tikkelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| getikkeld | verleden tijd, deelwoord |
| getikkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getikkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getikkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getikkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getikkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getikkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getikkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tikkel | gebiedende wijs |
| tikkelde | verleden tijd |
| tikkele | aanvoegende wijs |
| tikkelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getikkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tikkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getikkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tikkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit tikken met het achtervoegsel -el
Woordfamilie van tikkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getikkeld | voltooid deelwoord | tikkelen |
| getikkelde | woordvorm | tikkelen |
| tikkelde | verleden tijd | tikkelen |
| tikkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tikkelen |
| tikkele | aanvoegende wijs | tikkelen |
| tikkelend | onvoltooid deelwoord | tikkelen |
| tikkelende | woordvorm | tikkelen |
| tikkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tikkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tikkelen zijn vastgelegd.